Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:3570
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,432 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/085342-25
Datum uitspraak: 28 mei 2025
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 25 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 januari 2025 door the Prosecutor General's Office – Catania, Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 mei 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet ( OLW ) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment no. 253/24 delivered by the Court of Appeal of Catania, Iᵒ Division on 18.01.2024, which became final om 18.06.2024.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. Uit het EAB en de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces in hoger beroep en dat er een aangewezen advocaat was, maar dat is niet een advocaat die hij zelf heeft gemachtigd. Dat de opgeëiste persoon op de hoogte zou zijn van het proces in hoger beroep, strookt niet met de informatie dat hij gevlucht zou zijn en daardoor onvindbaar. Verder is de in de aanvullende informatie gegeven verzetgarantie niet onvoorwaardelijk. Het is niet te wijten aan de opgeëiste persoon dat hij niet op de hoogte was van het proces in hoger beroep.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW geen beletsel is voor de overlevering. In het EAB en de aanvullende informatie staat dat de opgeëiste persoon een gemachtigd advocaat had bij het proces in hoger beroep die hem daadwerkelijk heeft verdedigd en dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces. Ook als een advocaat is toegewezen, kan deze gemachtigd zijn. Dat de opgeëiste persoon voortvluchtig was is een status, maar dat houdt niet in dat hij niet een advocaat kon machtigen. Als de opgeëiste persoon inderdaad onvindbaar was, dan is er de verzetgarantie.
De rechtbank overweegt als volgt.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW , voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit het EAB volgt dat the Court of Appeal of Catania als laatste instantie de zaak ten gronde heeft behandeld. Daarom wordt alleen het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid getoetst aan artikel 12 OLW .
In onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces in hoger beroep, maar dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces en een advocaat heeft gemachtigd die hem daadwerkelijk heeft verdedigd. Ook is vermeld dat de advocaat door de rechtbank is toegevoegd.
In de ongedateerde aanvullende informatie staat:
“(…)
- The individual in question did appoint Attorney Cassibba as their legal representative.
- They have been notified of the trial date and the obligation to provide information regarding their domicile and any changes to it during the trial.
(…) a defendant, declared a fugitive - such as Mr. [opgeëiste persoon] who voluntarily and knowingly evaded arrest - was represented in court by a court-appointed attorney. In this case, Attorney Cassibba was appointed and duly fulfilled all defensive duties and powers.
However, under Article 175 of the Italian Code of Criminal Procedures, the convicted person may demonstrate that they did not receive notice of the trial without their fault and may request to be granted a new trial.”
De rechtbank acht deze aanvullende informatie niet afdoende om te kunnen vaststellen dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in het proces in hoger beroep niet zijn geschonden.
Daarom verzoekt de rechtbank de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
1. Op welk moment in het proces heeft de opgeëiste persoon de advocaat gemachtigd? Indien de opgeëiste persoon tijdens het proces in eerste aanleg de advocaat heeft gemachtigd, gold deze machtiging dan ook voor het proces in hoger beroep?
2) Heeft deze aangewezen advocaat ook daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon in hoger beroep gevoerd?
3) Door wie is er hoger beroep ingesteld?
4) Is er sprake geweest van een vooronderzoek waarin de opgeëiste persoon als verdachte is gehoord, waarbij hij een adres heeft opgegeven en erop is gewezen dat hij elke adreswijziging moest doorgeven aan de autoriteiten en wat de gevolgen zijn als hij dit niet zou doen?
5) Gold deze adresinstructie ook voor een proces in hoger beroep en was het voor de opgeëiste persoon duidelijk dat deze adresinstructie ook gold voor het proces in hoger beroep? Op welke wijze is dat voor de opgeëiste persoon duidelijk geworden?
6) Zijn de oproepen voor de zitting in hoger beroep naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd?
7)Was de opgeëiste persoon op de hoogte van het proces in hoger beroep? En zo ja, hoe is dat gebleken?
4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen voornoemde vragen onder 3.1 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
BEPAALT dat de zaak vóór 12 juni 2025 weer op zitting wordt gepland.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw en van een tolk in de Roemeense taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW .
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.