Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:3569
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,385 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/080885-25
Datum uitspraak: 28 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 19 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 september 2021 door the Regional Court in Elbląg II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 mei 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.H.E.M. Kersemaekers, advocaat te Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment of the District Court in Elbląg of 7 May 2019 (VIII K 767/18).
Uit aanvullende informatie van 11 april 2025 blijkt dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep wat heeft geleid tot een beslissing van the Court of Appeal in Elblag (Regional Court) van 13 november 2019, VI Ka 384/19 waarbij de beslissing van 7 mei 2019 in stand is gelaten.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 13 november 2019.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
De raadsman heeft betoogd dat het EAB niet genoegzaam is, omdat onvoldoende duidelijk is om welk feit het gaat en wat de strafdreiging is.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving in het EAB voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, namelijk betrokkenheid bij de diefstal met geweld op 6 mei 2012 in Elbląg. Hiermee is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. De strafdreiging is alleen relevant indien er een lijstfeit is aangekruist omdat daaraan de voorwaarde is verbonden dat op een dergelijke feit een minimale maximumstraf van drie jaar staat. Zoals uit overweging 4 van deze uitspraak blijkt, is in de zaak van de opgeëiste persoon geen lijstfeit aangekruist zodat alleen gekeken hoeft te worden naar de duur van de opgelegde straf. Deze moet namelijk minimaal vier maanden bedragen, iets wat hier het geval is. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.
3.2
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. In hoger beroep is er geen verdediging gevoerd namens de opgeëiste persoon. De door hem aangestelde advocaat is namelijk niet op de zitting in hoger beroep verschenen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond.
De rechtbank overweegt als volgt.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
The Court of Appeal in Elbląg (Regional Court) heeft als laatste instantie de zaak ten gronde behandeld en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen die beslissing. Daarom zal de rechtbank alleen het proces in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 11 april 2025 en 30 april 2025 volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking en het proces in hoger beroep. In het vooronderzoek is de opgeëiste persoon gewezen op zijn rechten en plichten, waaronder het doorgeven van adreswijzigingen en de gevolgen als hij dit niet doet. De opgeëiste persoon is met de toegevoegde advocaat aanwezig geweest bij de zittingen in eerste aanleg. Hij heeft toen een correspondentieadres opgegeven. De oproeping voor de zitting in hoger beroep is naar dat opgegeven adres gestuurd. Tijdens de voorgeleiding heeft de opgeëiste persoon voorts verklaard dat deze advocaat namens hem hoger beroep heeft ingesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank had de opgeëiste persoon in de gegeven omstandigheden er rekening mee moeten houden dat officiële correspondentie omtrent de strafzaak zou worden verzonden naar het door hem opgegeven adres. Dat is ook gebeurd. Wanneer deze oproepingen hem vervolgens niet bereiken, is dit aan hemzelf te wijten nu hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Daarbij lag het op de weg van de opgeëiste persoon om contact te houden met zijn advocaat, nu deze op zijn verzoek hoger beroep heeft ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Elbląg II Criminal Department (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.