Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-21
ECLI:NL:RBAMS:2025:354
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,334 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/495
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,
hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.1.
Eiseres is een alleenstaande moeder van twee minderjarige kinderen. Zij staat sinds 22 juni 2009 ingeschreven in Amsterdam waar zij een verschillend aantal inschrijfadressen heeft gehad. Sinds 8 maart 2021 heeft eiseres een briefadres bij het daklozenloket op de [adres] [huisnummer] . Op 19 juni 2023 diende zij een aanvraag in voor een urgentieverklaring wegens dakloosheid in combinatie met medische problematiek. Eiseres kampt met aanhoudende medische problematiek door een fietsongeluk in 2015. Dit heeft ervoor gezorgd dat zij dakloos is geworden en dat zij in de schulden terecht is gekomen.
1.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 15 augustus 2023 (het primaire besluit) afgewezen omdat er sprake is van drie algemene weigeringsgronden. Eiseres was namelijk zwanger tijdens haar aanvraag, heeft een gezin gesticht zonder over een passende woonruimte te beschikken en zij heeft ongeregelde schulden. Met het besluit van 4 december 2023 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring mocht afwijzen op grond van de Huisvestingsverordening 2020 (Hvv 2020). Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.2.
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Algemene weigeringsgronden
b-grond
3.1.
De eerste algemene weigeringsgrond die het college aan eiseres tegenwerpt volgt uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b van de Hvv 2020 en ad b, punt 6 van de Nadere regels. Uit deze bepalingen volgt dat een urgentieaanvraag wordt afgewezen indien de aanvrager zwanger is.
3.2.
Eiseres heeft echter aangegeven dat zij ten tijde van het bestreden besluit niet meer zwanger was, maar inmiddels bevallen was van haar dochtertje. Het college heeft daarom op zitting verklaard dat deze invulling van de weigeringsgrond (via punt 6 van de Nadere regels) niet meer van toepassing is. Het college stelt in plaats daarvan dat punt 5, het feit dat eiseres inwonend is, reden is om de urgentieaanvraag af te wijzen.
3.3.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat het college niet pas op de zitting een nieuwe reden ten grondslag kan leggen aan het bestreden besluit. Inwonen valt volgens de Nadere regels weliswaar onder dezelfde weigeringsgrond als zwangerschap, inhoudelijk is het een andere grondslag.
3.4.
Maar ook inhoudelijk kan inwoning niet aan eiseres worden tegengeworpen. Op zitting heeft eiseres verklaard dat zij af en toe op de logeerkamer van een vriendin terecht kan. Hiervoor had zij ook een adres in Oost waar zij soms een paar dagen kon verblijven. Maar het blijven allemaal tijdelijke plekken. Er is daarom volgens haar geen sprake van inwoning maar slechts van tijdelijk verblijf.
3.5.
De rechtbank overweegt dat zij in haar uitspraak van 22 april 2022 het volgende over inwoning heeft geoordeeld:
”‘Inwonen’ veronderstelt een stabielere situatie, waarin iemand een min of meer vaste basis heeft van waaruit bijvoorbeeld werk en het privéleven vorm kunnen worden gegeven. De situatie van iedere paar dagen moeten verkassen, met de bijbehorende onrust en stress van het telkens weer moeten regelen van een volgende plek, is daarmee niet vergelijkbaar.”
3.6.
De rechtbank oordeelt gezien het bovenstaande dat er in het geval van eiseres geen sprake is van inwoning. Eiseres verblijft namelijk niet in een stabiele situatie, maar verplaatst iedere paar dagen. Wanneer het college in het geval van eiseres wil aantonen dat er sprake is van inwoning, zal zij dat nader moeten onderbouwen. Nu de inwoning en het zwanger zijn (punt 5 en punt 6 van de Nadere regels) niet aan eiseres kan worden tegengeworpen betekent dit dat de algemene weigeringsgrond artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, wegvalt en dus niet meer van toepassing is op de situatie van eiseres.
c-grond
4.1.
De tweede algemene weigeringsgrond die het college aan eiseres tegenwerpt is artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder c van de Hvv en ad c, punt 2 van de Nadere regels, namelijk dat het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon worden voorkomen. Dit houdt in dat het huisvestingsprobleem voor de eigen verantwoordelijkheid van eiseres komt wanneer zij ervoor kiest een gezin te stichten zonder daartoe over een passende woonruimte te beschikken.
4.2.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres zich niet kan vinden in deze regels omdat het strenge regels zijn, zijn de regels om een urgentieaanvraag te weigeren dwingendrechtelijk opgesteld. Dit betekent dat een urgentieverklaring wordt geweigerd wanneer er sprake is van algemene weigeringsgronden. Het restrictieve beleid van het college komt voort uit een enorme schaarste op de woningmarkt (in Amsterdam). Daar komt bij dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het restrictieve beleid van het college over urgentieverklaringen niet onredelijk vindt, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee kleine aantal huurwoningen. Eiseres heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom deze weigeringsgrond niet van toepassing is op haar, los van haar argument dat zij het niet met de regelgeving eens is. Het college heeft toegelicht dat deze weigeringsgrond geen verwijt inhoudt, en ook niet de keuzevrijheid om een gezin te stichten wil beperken. De weigeringsgrond regelt alleen dat het krijgen van een kind of kinderen, geen reden is om een urgentieverklaring af te geven. Het college heeft daarom deze algemene weigeringsgrond aan eiseres mogen tegenwerpen.
h-grond
5.1.
De derde en laatste algemene weigeringsgrond van toepassing op eiseres is dat zij ongeregelde schulden heeft. Uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder h van de Hvv 2020 en ad h, punt 2 van de Nadere regels volgt dat er moet worden voldaan aan specifieke voorwaarden in het geval van schulden. Deze voorwaarden garanderen de financiële stabiliteit van de aanvrager en het feit dat zij kan aantonen dat de aanvrager met zekerheid kan voorzien in de koste van bewoning.
5.2.
De rechtbank overweegt dat eiseres heeft verklaard diverse schulden te hebben, welke niet goed zijn geregeld. Eiseres heeft aan de rechtbank geen stukken overlegd, of op andere wijze onderbouwd, op welke wijze zij aan de voorwaarden voor schulden uit de Nadere regels voldoet. Dit betekent dat zij op dit moment niet kan aantonen dat zij in een financiële stabiele situatie verkeert en woning door middel van urgentieverklaring zou kunnen bekostigen. Het college heeft daarom deze algemene weigeringsgrond terecht aan eiseres tegengeworpen.
Hardheidsclausule
6.1.
Als laatste doet eiseres een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Zij stelt dat zij in een schrijnende situatie verkeert en dat de belangen van haar kinderen onvoldoende zijn meegewogen in de besluitvorming van het college. Terwijl dit op grond van artikel 3 Inzake het Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) wel is vereist. Zij is van mening dat de verwijten die haar worden gemaakt, niet voor de rekening van haar kinderen horen te komen.
Belangen van de kinderen
6.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres inmiddels ook een tweede kind heeft gekregen. Zij overweegt dat belangen van het eerste kind van eiseres zowel in het primaire besluit, als in het bestreden besluit niet zijn meegewogen.
6.3.
In het verweerschrift stelt het college dat eiseres en haar dochter onderdak hebben, waardoor hun belangen voldoende kenbaar zijn overwogen. Ze hebben immers een dak boven hun hoofd en zijn dus niet dakloos. Maar omdat de rechtbank in rechtsoverweging 3.6. heeft geoordeeld dat er geen sprake is van inwoning, houdt dit argument geen stand. Het college dient zorgvuldig onderzoek te doen naar de woon- en leefsituatie van eiseres, waarbij de belangen van de kinderen kenbaar worden meewogen in het kader van de weigering van de urgentie. Dat is in deze zaak niet gebeurd.
6.4.
Tijdens het primaire besluit was eiseres nog zwanger was van haar eerste kind. Daarom acht de rechtbank het niet onredelijk dat er op dat moment geen onderzoek is gedaan naar de belangen van het toekomstige kind van eiseres. Maar tijdens het bestreden besluit was de dochter van eiseres al geboren. In deze fase dient volgens artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een volledige heroverweging door het bestuursorgaan plaats te vinden.
Conclusie
7. Het college mocht de b-grond niet aan eiseres tegenwerpen, de c-grond en de h-grond wel. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt. Dat betekent dat het college opnieuw onderzoek moet doen waarbij de belangen van de kinderen van eiseres kenbaar worden meegenomen en haar situatie als een geheel in kaart wordt gebracht. De rechtbank geeft de gemeente de opdracht om de verschillende instanties en afdelingen van de gemeente daarbij te betrekken, om zo tot een weloverwogen en zorgvuldig besluit te komen.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en het college opnieuw onderzoek moet doen. Eiseres krijgt daarom haar griffierecht van € 51,- vergoed. Zij krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze bedraagt € 1.814, - omdat de gemachtigde van eiseres een beroepsschrift heeft ingediend en de zitting heeft bijgewoond.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond
vernietigd het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187, - aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
21 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv 2020) en ad b, punt 6 van de Nadere regels huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Nadere regels). Van beide de versie 16 januari 2023.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder c van de Hvv 2020.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder h van de Hvv 2020 en ad h, punt 4 van de Nadere regels.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b van de Hvv 2020 en ad b, punt 5 van de Nadere regels.
Zie de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 22 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2155.