Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:3517
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,669 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/346646-24 (zaak A) en 13/358996-24 (zaak B)
(ter terechtzitting gevoegd)Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 13/054613-24
Datum uitspraak: 19 februari 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1969,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
thans gedetineerd in [naam PI] ).
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.H.R. Hogewind, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L.R. Klaver, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundigen mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] (beiden reclasseringswerker) ter terechtzitting naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding die is ingediend door benadeelde partij [benadeelde partij] .
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
ten aanzien van zaak A
primair:
diefstal van een tas (met inhoud), Airpods en/of een portemonnee, toebehorende aan [aangeefster] , op 30 oktober 2024 in Amsterdam,
subsidiair:
heling van Airpods en/of een portemonnee op 30 oktober 2024 in Amsterdam.
ten aanzien van zaak B
1. diefstal door middel van een valse sleutel van een scootmobiel, toebehorende aan [aangever] , op 18 augustus 2024 in Amsterdam.
2. diefstal van een handtas met inhoud, toebehorende aan [benadeelde partij] , op 22 augustus 2024 in Amsterdam.
3. diefstal door middel van een valse sleutel van een geldbedrag van € 71,55, toebehorende aan [benadeelde partij] , op 22 augustus 2024 in Amsterdam.
4. diefstal van een Apple iPad, toebehorende aan [naam hotel] , op 23 augustus 2024 in Amsterdam.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel het in zaak A primair tenlastegelegde als het in zaak B onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe de volgens haar relevante bewijsmiddelen opgesomd.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de in zaak A en B ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Beoordeling
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het in zaak A primair tenlastegelegde en het in zaak B onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft de feiten bekend ter terechtzitting.
Ten aanzien van het in zaak B onder 3 tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat
op basis van het dossier niet de exacte hoogte van het door verdachte weggenomen geldbedrag kan worden vastgesteld. Gelet daarop zal de rechtbank bewezen verklaren dat verdachte een geldbedrag heeft weggenomen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van zaak A
primair
op 30 oktober 2024 te Amsterdam, een tas (met inhoud) en Airpods en een portemonnee, die aan [aangeefster] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van zaak B
feit 1
op 18 augustus 2024 te Amsterdam, een scootmobiel, die aan [aangever] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen scootmobiel onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onrechtmatig gebruik te maken van een (universele) sleutel;
feit 2
op 22 augustus 2024 te Amsterdam, een handtas met inhoud, die aan [benadeelde partij] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 3
op 22 augustus 2024 te Amsterdam, een geldbedrag dat aan [benadeelde partij] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onrechtmatig gebruik te maken van de pinpas van die [benadeelde partij] ;
feit 4
omstreeks 23 augustus 2024 te Amsterdam, een Apple iPad, die aan [naam hotel] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren. Verdachte voldoet aan de harde en zachte criteria die gelden voor de oplegging van die maatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
Wat de raadsman betreft is niet voldaan aan de zachte criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel, nu er nog alternatieven denkbaar zijn. De raadsman heeft primair verzocht om een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met de door de rechtbank noodzakelijk geachte bijzondere voorwaarden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de duur van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel te beperken tot één jaar.
7.3
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen. Verdachte heeft een scootmobiel voor de ingang van een supermarkt weggenomen. Enkele dagen later is hij op deze scootmobiel een verzorgingsthuis binnengereden en heeft hij daar een handtas weggenomen. In deze tas zaten diverse spullen waaronder betaalpassen. Verdachte heeft meermaals contactloos betaald met één van deze betaalpassen. Verder heeft verdachte ook een Apple iPad weggenomen uit een hotel en een week later heeft hij een tas met een portemonnee en Airpods weggenomen. Dit zijn hinderlijke feiten die bij de slachtoffers overlast en schade veroorzaken. Verdachte heeft zich er klaarblijkelijk niet om bekommerd dat deze diefstallen niet alleen een inbreuk maken op de gevoelens van veiligheid van de gedupeerden, maar ook veel overlast en schade tot gevolg hebben. Door zo te handelen heeft verdachte er bovendien blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Leger des Heils van 24 januari 2025, opgemaakt door reclasseringswerker [naam 1] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Er is sinds het afgelopen jaar sprake van een toenemend delictpatroon aangaande vermogensdelicten. Inmiddels staat verdachte geregistreerd als veelpleger en voldoet hij aan de harde criteria van de ISD-maatregel. De reclassering ziet instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Hij is dakloos, heeft geen inkomen, geen zinvolle dagbesteding, er is sprake van verslavingsproblematiek en mogelijk psychische problematiek. Verdachte staat sinds januari 2024 onder toezicht van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering Amsterdam. Er zijn meerdere interventies ingezet. Zo ontvangt hij ambulante begeleiding vanuit de maatschappelijke organisatie Amsta Just om praktische zaken te regelen. Daarnaast is hij aangemeld bij forensische polikliniek GGZ Inforsa voor verdiepingsdiagnostiek en behandeling met betrekking tot zijn mogelijk psychische- en/of middelenproblematiek. Verdachte zou bij GGZ Inforsa kunnen beginnen, maar werd in onderhavige zaak opnieuw aangehouden, waardoor behandeling binnen een ambulant kader niet van de grond is gekomen. Verder is er ingezet op de huisvestingproblematiek. Verdachte kon aansluitend op zijn vorige detentie verblijven bij woonlocatie Westburgh. Hij is echter binnen enkele uren opnieuw aangehouden, waardoor zijn kamer is vergeven.
Het reclasseringstoezicht loopt vanaf het begin al moeizaam. Verdachte wil het reclasseringstoezicht en de bijbehorende hulpverlening laten slagen, maar er is sprake van een zekere mate van onmacht. Ondanks de ingezette zorg blijft verdachte recidiveren, waardoor er geen continuïteit is binnen de ingezette geïndiceerde zorg. Er is het afgelopen jaar geen positieve ontwikkeling zichtbaar geweest in de houding van verdachte en in diens motivatie om tot gedragsverandering te komen. Gelet op het voorgaande heeft de huidige toezichthouder van verdachte, mevrouw [naam 2] , op 23 januari 2025 een advies negatief voortijdige beëindiging van het toezicht uitgebracht. Verdachte heeft meerdere kansen gehad om te laten zien dat hij zijn leven kan beteren en een delictvrij bestaan kan opbouwen. Desalniettemin is hij binnen een kort tijdsbestek meermaals gerecidiveerd.
De reclassering is van mening dat verdachte inmiddels ook voldoet aan de zachte ISD-criteria, daar de huidig ingezette zorg niet tot enige recidivevermindering heeft geleid. De reclassering heeft een (langdurige) klinische opname als alternatief voor een onvoorwaardelijke ISD-maatregel overwogen. Echter is besloten om geen aanmelding te doen bij het Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ), te meer daar verdachte ten tijde van het opstellen van het rapport geen openheid heeft gegeven over onderhavige verdenking. Daarnaast schat de reclassering de responsiviteit en haalbaarheid van een voorwaardelijk traject in als nihil. De reclassering ziet geen andere mogelijkheid dan de onvoorwaardelijke ISD-maatregel, nu in dit kader de juiste interventies ingezet kunnen worden ter voorkoming van recidive en stabilisatie van de leefomstandigheden.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 5 februari 2025 reclasseringswerker [naam 1] en toezichthouder [naam 2] als deskundigen gehoord. Zij hebben voornoemd advies bevestigd en ter zitting nader toegelicht. Zij hebben aangegeven dat het feit dat verdachte ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven hun advies niet anders maakt. Het feit dat verdachte op een wachtlijst stond voor begeleid wonen doet ook niet af aan het advies. Er is wel tijdelijk een passende oplossing geboden. Het voorwaardelijke traject is opgestart en geprobeerd, maar verdachte kon zich daar niet aan conformeren. Een eventuele klinische opname kan ook plaatsvinden binnen het kader van de ISD-maatregel.
Voldaan aan de ‘harde’ criteria
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 30 december 2024 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de periode ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Verdachte voldoet aldus aan de ‘harde’ criteria van de ISD-maatregel.
Voldaan aan de ‘zachte’ criteria
Om een ISD-maatregel op te kunnen leggen, moet ook blijken dat er geen minder ingrijpend alternatief voor het opleggen van een ISD-maatregel tot de mogelijkheden behoort. Daarbij wordt gekeken of er in het verleden dwang- of drangtrajecten hebben plaatsgevonden die niet hebben geleid tot een gedragsverandering, of dat verdachte heeft aangegeven hieraan niet mee te willen werken, of dat verdachte daar geen mogelijkheden toe heeft (de zogenaamde ‘zachte criteria’).
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet verdachte ook aan de ‘zachte’ criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel. In het verleden zijn diverse reclasseringstrajecten mislukt, omdat verdachte werd aangehouden waardoor behandeling binnen een ambulant kader niet van de grond is gekomen. Ondanks de ingezette zorg blijft verdachte recidiveren, waardoor er geen continuïteit is binnen de ingezette geïndiceerde zorg. De reclassering schat de responsiviteit en haalbaarheid van een voorwaardelijk traject in als nihil.
Beoordeling
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 2 en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering ten aanzien van de kosten voor het aanvragen van een nieuwe bankpas, Museumkaart, OV-chipkaart en het rijbewijs is niet betwist en de rechtbank zal dit toewijzen.
De vordering ten aanzien van de kosten voor het vervangen van de huissloten is betwist. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van rechtstreekse schade die de benadeelde partij heeft geleden door het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft deze kosten gemaakt als gevolg van de diefstal waarbij haar handtas met huissleutels is weggenomen door verdachte. De rechtbank zal daarom dit bedrag toewijzen.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 244,02, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in zaak B onder 2 en 3 bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 244,02 (tweehonderdvierenveertig euro en twee cent).
Voorts zal de rechtbank verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
9Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 2 januari 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/054613-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 30 april 2024 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot vier maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De officier van justitie en de verdediging hebben verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen omdat aan verdachte de onvoorwaardelijke ISD-maatregel zal worden opgelegd. Het is niet opportuun om daarnaast de eerder voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer te leggen.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 63, 310, en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A primair, zaak B feit 2 en 4
telkens: diefstal
ten aanzien van zaak B, feit 1 en 3
telkens, diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 244,02 (tweehonderdvierenveertig euro en twee cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 22 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 244,02 (tweehonderdvierenveertig euro en twee cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 22 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 4 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/054613-24 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Baroud, voorzitter,
mrs. B. Kuppens en G. Oldekamp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.L.M. Meulman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2025.
[.]
[.]
[.]
[.]
[.]
[.]
[.]
[.]
[.]