Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-26
ECLI:NL:RBAMS:2025:3479
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,186 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/744257 / HA ZA 24-5
Vonnis van 26 februari 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat: mr. B.M.E. Drykoningen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SWEELINGH VASTGOED B.V.,
gevestigd te Laren,
gedaagde,
advocaat: mr. T.R. Dicke.
Eisers worden hierna gezamenlijk [eisers] genoemd en gedaagde wordt hierna Sweelingh Vastgoed genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 oktober 2024 en de daarin genoemde stukken (hierna: het tussenvonnis),
- de akte na tussenvonnis, tevens akte vermindering van eis en vermeerdering van eis van [eisers] ,
- de antwoordakte van Sweelingh Vastgoed.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
2De verdere beoordeling
Tussenvonnis
2.1.
De vraag die in deze zaak voorligt, is of Sweelingh Vastgoed een woning heeft geleverd die voldoet aan de afspraken die partijen hebben gemaakt. De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat de woning die Sweelingh Vastgoed aan [eisers] geleverd heeft, op verschillende punten punten non-conform is. Dit betekent dat Sweelingh Vastgoed tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eisers] en daarom is zij aansprakelijk voor de schade die [eisers] als gevolg van deze tekortkoming lijdt.
2.2.
Ten aanzien van het houtrot in het kozijn aan de voorzijde van de woning, heeft de rechtbank overwogen dat het nog niet duidelijk is sinds wanneer het houtrot aanwezig is, terwijl dit wel van belang is. Omdat de rechtbank zelf niet deskundig is op dit punt, heeft de rechtbank het noodzakelijk geacht nader te worden voorgelicht hierover.
2.3.
In het tussenvonnis is [eisers] daarom opgedragen zich bij akte nader uit te laten over de vraag of het houtrot al aanwezig was tijdens de verbouwing, dan wel of het houtrot is veroorzaakt door een gebrek in de uitvoering van de werkzaamheden dat voor rekening van Sweelingh Vastgoed komt. Sweelingh Vastgoed is daarna in de gelegenheid gesteld om op deze akte te reageren.
Vermindering van eis
2.4.
[eisers] heeft in zijn akte na tussenvonnis aangegeven ervan af te zien om in deze procedure nader bewijs te leveren van zijn stellingen met betrekking tot (de oorzaak van) het houtrot in het kozijn aan de voorzijde van de woning. [eisers] heeft daarom zijn vordering tot een voorschot op de schadevergoeding verminderd voor wat betreft de kosten voor het vervangen van de kozijnen wegens houtrot. Om die reden geeft de rechtbank geen oordeel over het kozijn aan de voorzijde van de woning. Overeenkomstig overweging 4.28 uit het tussenvonnis, komt het toe te wijzen voorschot op de schadevergoeding daarom neer op een bedrag van € 38.024,25 inclusief btw (€ 58.924,25 min € 10.285 (isolatie uitbouw) en € 10.285 (houtrot), bedragen inclusief btw).
Vermeerdering van eis
2.5.
[eisers] heeft zijn vordering vermeerderd met de wettelijke rente over het toe te wijzen voorschot, primair vanaf de datum van de dagvaarding, subsidiair vanaf de datum van dit vonnis. Daarnaast heeft [eisers] zijn vordering vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald. Volgens [eisers] kan strijd met de eisen van een goede procesorde bezwaarlijk aangenomen worden, omdat de rechtbank in het tussenvonnis heeft bepaald dat Sweelingh Vastgoed een antwoordakte mocht nemen.
2.6.
Op grond van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de eiser bevoegd zijn eis te vermeerderen, zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen. Daarnaast heeft Sweelingh Vastgoed zich bij antwoordakte uitgelaten over de eisvermeerdering van [eisers] Van strijd met de eisen van een goede procesorde is daarom geen sprake en omdat de rechtbank nog geen eindvonnis had gewezen, is [eisers] bevoegd zijn eis te vermeerderen.
2.7.
Sweelingh Vastgoed maakt bezwaar tegen de eisvermeerdering van [eisers] , omdat het in deze zaak gaat om een voorschot en de exacte schade nog bepaald dient te worden. Sweelingh Vastgoed is daarnaast van mening dat indien wel wettelijke rente betaald moet worden, die rente berekend dient te worden vanaf de datum van dit vonnis. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten meent Sweelingh Vastgoed dat deze pas na vier weken dienen te gelden.
2.8.
Dat het in deze zaak gaat om een voorschot op de schadevergoeding, betekent niet dat wettelijke rente niet toewijsbaar is. Sweelingh Vastgoed heeft niet onderbouwd waarom de wettelijke rente berekend dient te worden vanaf de datum van dit vonnis, zodat de gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen voorschot wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. Ook ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten geldt dat Sweelingh Vastgoed niet heeft onderbouwd waarom deze pas na vier weken dienen te gelden, zodat niet valt in te zien waarom er van de gevorderde termijn van veertien dagen moet worden afgeweken. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt daarom toegewezen, indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald.
Proceskosten
2.9.
Sweelingh Vastgoed wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eisers] betalen. Omdat het gevorderde voorschot op de aan [eisers] toekomende schadevergoeding gedeeltelijk wordt toegewezen, wordt voor de berekening van het salaris van de advocaat het liquidatietarief toegepast dat aansluit bij het toegewezen bedrag. De proceskosten van [eisers] worden tot op heden begroot op:
- kosten van de dagvaarding: € 131,85
- griffierecht: € 1.325,00
- salaris advocaat: € 1.572,00 (2 punten x tarief III: € 786,00)
- nakosten: € 178,00 (plus de kosten zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 3.206,85
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.10.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt in gesteld en zolang daarop niet anders is beslist.
Dictum
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat Sweelingh Vastgoed toerekenbaar tekortgekomen is in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eisers] ,
3.2.
verklaart voor recht dat Sweelingh Vastgoed aansprakelijk is voor de schade die [eisers] lijdt als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van Sweelingh Vastgoed,
3.3.
veroordeelt Sweelingh Vastgoed tot vergoeding aan [eisers] van die schade, nader op te maken bij staat,
3.4.
veroordeelt Sweelingh Vastgoed tot betaling van € 38.024,25 aan [eisers] als voorschot op de hem toekomende schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over dit bedrag met ingang van 19 december 2023 tot aan de dag van volledige betaling,
3.5.
veroordeelt Sweelingh Vastgoed in de proceskosten van € 3.206,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Sweelingh Vastgoed niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn betaald,
3.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Breugem, rechter, bijgestaan door mr. J.D. Tameris, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2025.