Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-15
ECLI:NL:RBAMS:2025:3341
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,587 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3041
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
( [gemachtigde eiseres] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. E.D. Mensing van Charante).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de verlening van een persoonsgebonden budget (pgb) voor Aanvullende individuele ondersteuning (Aio) voor twee uur en tien minuten per week op grond van de Wmo 2015.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 17 november 2023 (het primaire besluit) toegekend. Met het bestreden besluit van 17 april 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres Is verweerder bij de omvang van de toekenning gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres is 83 jaar oud en woont nog steeds alleen thuis. Zij heeft de ziekte van Parkinson en in december 2023 is dementie vastgesteld. Eiseres is de schoonmoeder van gemachtigde. Hij vertelde op zitting dat het niet goed met haar gaat. Eiseres is nu voor de derde keer opgenomen in het ziekenhuis na een val en zij is erg verward. De dochter van eiseres neemt de zorg voor haar moeder op zich. De gemachtigde van eiseres ondersteunt in het contact met verschillende organisaties en bijhorende administratie. Het CIZ heeft op 25 april 2024 een indicatiebesluit genomen waarin staat dat eiseres valt onder het zorgprofiel beschermd wonen met intensieve dementiezorg (VV05). Zij heeft daarmee recht op 24-uurszorg op grond van de Wlz.
3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor Aio in de vorm van een pgb. Naar aanleiding daarvan heeft Argonaut een advies van 1 november 2023 opgesteld. Hierin is overwogen dat op basis van de aard en omvang van de benodigde ondersteuning eiseres geacht wordt voldoende uit te komen met twee uur en tien minuten Aio per week, gericht op ondersteuning met betrekking tot regie medische zorg, het uitvoeren van regelzaken en het vasthouden aan een structuur door dagelijkse incheckmomenten. Argonaut adviseert om het pgb toe te kennen voor een periode van zes maanden, waarna het besluit dient te worden geëvalueerd. Uit de beschikbare medische informatie van 30 mei 2023 volgt dat eiseres lichte cognitieve problemen heeft. De neuroloog heeft geadviseerd om een onderzoek te doen naar de ervaren geheugenklachten. Dat onderzoek moet nog plaatsvinden. Uit het keukentafelgesprek blijkt dat eiseres nog alleen thuis kan zijn en zij in staat is om te alarmeren. Hierdoor is het aannemelijk dat zij op dit moment nog niet in aanmerking komt voor ondersteuning op grond van de Wlz. Gelet op de progressieve aard van de lichamelijke problematiek, acht Argonaut het aannemelijk dat eiseres in de toekomst meer ondersteuning nodig heeft.
4. Verweerder heeft het advies van Argonaut van 1 november 2023 overgenomen en bepaald dat eiseres een pgb voor Aio krijgt voor twee uur en tien minuten per week vanaf 1 november 2023 tot en met 31 mei 2024.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het advies over de Aio een goed advies is omdat de adviseur deskundig is en het onderzoek zorgvuldig is verricht. Volgens verweerder zijn voor een deel van de gevraagde ondersteuning voorliggende voorzieningen beschikbaar. Zoals persoonlijke verzorgingstaken (vanuit de Zvw), huishoudelijke activiteiten (verweerder verwijst naar een separaat rapport), het maken van een wandeling (via het eigen netwerk of met een vrijwilliger). Voor het uitvoeren van andere (medische) regelzaken wordt Aio toegekend. In het advies is toegelicht waarom wordt afgeweken van de geldigheidsduur. Ook is er volgens verweerder geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
Beoordeling
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder een pgb voor Aio voor twee uur en tien minuten per week mocht verlenen op grond van de Wmo 2015. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Ingangsdatum
8. Eiseres is het niet eens met de ingangsdatum van de maatwerkvoorziening. Volgens haar moet aansluiting worden gezocht bij de melding van de ondersteuningsbehoefte op 1 september 2023.
9.1
De rechtbank overweegt hierover als volgt. De Wmo 2015 bevat geen regels over de ingangsdatum van de maatwerkvoorziening. Dit geldt eveneens voor de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2024 en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2024. Ook daar is niets bepaald over de ingangsdatum van een maatwerkvoorziening. Deze rechtbank is van oordeel dat de toekenning van de maatwerkvoorziening in principe ingaat vanaf het moment van de aanvraag. De rechtbank vindt hiervoor steun in de systematiek van de Wmo 2015. Volgens die systematiek moet eerst een melding worden gedaan. Naar aanleiding van die melding wordt in samenspraak met de melder een onderzoek uitgevoerd naar de behoeften en mogelijkheden van de cliënt (dat is in dit geval eiseres). Het onderzoek zelf mag maximaal zes weken duren (artikel 2.3.2, eerste lid). De melder wordt op de hoogte gebracht van de uitkomsten van het onderzoek en vervolgens kan de melder een aanvraag indienen (artikel 2.3.2, negende lid). Het college beslist dan binnen twee weken op die aanvraag (artikel 2.3.5, tweede lid). In spoedeisende gevallen kan het college terstond na een melding een tijdelijke maatwerkvoorziening toekennen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek (artikel 2.3.3). En als het onderzoek niet binnen zes weken is afgerond kan de melder toch een aanvraag indienen (artikel 2.3.2, negende lid). Vorenstaande geldt zowel voor zorg in natura als voor een pgb.
9.2
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voor de ingangsdatum van de maatwerkvoorziening terecht heeft aangesloten bij datum aanvraag, zijnde de datum afronding onderzoek, in dit geval 1 november 2023. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Urenomvang
10. Volgens eiseres is het aantal uur ontoereikend. Op zitting heeft eiseres een concept advies van Argonaut van 8 mei 2024 overgelegd. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat het definitieve advies is gedateerd op 10 juni 2024. Hierin is geadviseerd om de indicatie te verhogen naar vier uur in verband met de verzwaring van de zorgbehoefte.
11. De rechtbank overweegt als volgt. In het advies van Argonaut van 1 november 2023 wordt voorzien dat eiseres in de toekomst meer zorg nodig zal hebben. Om die reden wordt geadviseerd om de indicatie te verlenen voor een half jaar. Gelet op de toelichting van partijen op zitting is de zorg ook toegenomen. Verweerder heeft toegelicht dat onder andere sprake is van meer zorg vanwege de behoefte aan meer in- en uitcheckmomenten en het gebruik van medicatie. De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat in de nieuwste beschikking meer uren zijn toegekend. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het aantal toegekende uren over de periode van 1 november 2023 tot en met 31 mei 2024 voor onjuist te houden. De rechtbank heeft hiervoor in het dossier ook geen andere aanknopingspunten gevonden. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)
Artikel 2.3.2
1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
2 Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid het plan te overhandigen.
3 Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
4 Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
5 Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g.
6 Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
7 De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
8 Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.
9 Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 2.3.3
In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt.
Artikel 2.3.5
2 Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
CIZ: Centrum Indicatiestelling Zorg.
Wlz: Wet langdurige zorg.
Het advies is ongedateerd. Gelet op ingangsdatum toekenning Aio vanaf 1 november 2023 sluit de rechtbank aan bij die datum.
Zvw: Zorgverzekeringswet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 10 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1398 en 23 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:200.
In de bijlage is de regelgeving opgenomen.