Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-21
ECLI:NL:RBAMS:2025:3322
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,350 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-103538-24
Datum uitspraak: 21 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 11maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 februari 2024 door de Arrondissementsrechtbank te Kolin, Tsjechische Republiek, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 mei 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Tsjechische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Tsjechische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis: vonnis van de Arrondissementsrechtbank Kolin van 21.9.2023, dossiernummer 8 T 111/2021-245, juncto de beslissing van de Provinciale rechtbank Praag van 22. 11. 2023, dossiernummer 9 To 303/2023-263 (rechtskracht: 22.11.2023), Referentie: 8 T 111/2021.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemd arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende duidelijk is of de door de uitvaardigende justitiële autoriteiten verstrekte verzetgarantie ook ziet op de beslissing van de Regional Court in Praag. De grondslag van het EAB is het vonnis van de rechtbank in Kolin en daar ziet de verzetgarantie ook op. Het hoger beroep tegen dit vonnis is met de beslissing van de Regional Court verworpen. Een verzetgarantie tegen het vonnis in eerste aanleg heeft mogelijk geen feitelijke werking als de beslissing van de Regional Court desondanks in stand blijft. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse justitiële autoriteiten te vragen of de opgeëiste persoon op basis van de verstrekte verzetgarantie recht heeft op behandeling van zijn zaak in zowel eerste aanleg als in hoger beroep.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een duidelijke onvoorwaardelijke verzetgarantie die ziet op het door de uitspraak van the Regional Court in Praag definitief geworden vonnis van de rechtbank in Kolin. Aanhouding van de behandeling van de zaak om de Poolse autoriteiten hier vragen over te stellen is dan ook niet nodig. Er is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12 onder d OLW en de weigeringsgrond van dat artikel doet zich niet voor.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
In de onderhavige zaak heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in de aanvullende informatie van 16 april 2025 vermeld dat:
“By the decision of the Regional Court in Prague (Court of Appeal) of 22 November 2023, ref. no. 9 To 303/2023-263, the appeal of [opgeëiste persoon] (more precisely his defense attorney) was dismissed as unfounded, because the Court of Appeal did not find any fundamental error in the procedure of the court of first instance or in the contested
judgment. The judgment of the District Court in Kolín of 21 September 2023, ref. no. 8 T 111/2021-245, thus became final and binding on 22 November 2023.”
De rechtbank begrijpt deze informatie zo dat met de beslissing van de Regional Court in Praag uitsluitend een oordeel is gegeven over de rechtmatigheid van de procedure in eerste aanleg. De rechtbank begrijpt hieruit dat in deze procedure de strafzaak niet ten gronde is behandeld, maar dat hierbij alleen rechtsvragen aan de orde zijn geweest. Gelet op deze beperkte beoordeling valt de procedure van de Regional Court in Praag daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De rechtbank ziet daarom geen redenen om over deze beslissing aanvullende vragen te stellen, zoals verzocht door de raadsman.
Gelet op het voorgaande dient enkel het vonnis in eerste aanleg van de rechtbank in Kolin aan artikel 12 OLW worden getoetst.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d):
“3.4.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Arrondissementsrechtbank te Kolin, Tsjechische Republiek, voor het feit zoals dat is zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. C. Klomp en D. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ÁG313121404795äÈ
G313121404795
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.