Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-25
ECLI:NL:RBAMS:2025:3271
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,339 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3541
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigden: mr. J.S. Vlieger en mr. J.W.A. van de Salm),
en
de minister van Financiën, verweerder.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om hem op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) te compenseren voor een door hem afgeloste private schuld
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Eiser is bijgestaan door P. Oronsaye, tolk in de Engelse taal.
Overwegingen
Achtergrond
1.1.
Eiser is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om gedupeerde ouders te compenseren voor deze fouten. Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid de private schulden van een gedupeerde ouder en zijn of haar toeslagpartner overneemt. Het overnemen van de geldschulden wordt namens verweerder uitgevoerd door de Sociale Banken Nederland (SBN).
1.2.
In artikel 4.1, tweede lid, van de Wht zijn de voorwaarden opgenomen voor het overnemen van een private schuld. Uit artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht volgt dat een schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar moet zijn geworden. Artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht bepaalt dat de resterende hoofdsommen van leningen niet worden overgenomen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
1.3.
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht blijkt dat de regeling voor het overnemen van private schulden tot doel heeft gedupeerden die te maken hebben met deurwaarders en schuldenproblematiek tegemoet te komen. Hieruit volgt dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om gedupeerde ouders zo veel mogelijk een kans te bieden op een nieuwe start. Door alleen opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen over te nemen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen. De regeling voor het overnemen van schulden heeft verder niet tot doel om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen.
1.4.
Uit artikel 4.3, eerste lid, van de Wht volgt dat SBN aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van de herstelmaatregel, compensatie voor een afgeloste geldschuld kan verlenen, als die geldschuld op grond van artikel 4.1 van de Wht voor overneming in aanmerking zou komen, als deze niet voldaan was. De achtergrond van het terugbetalen van al betaalde schulden is dat sommige mensen met het compensatiebedrag ook schulden hebben afgelost die anders voor overname in aanmerking zouden zijn gekomen. Daar was het compensatiebedrag niet voor bedoeld.
1.5.
Dit betekent meer concreet dat een schuld voor vergoeding in aanmerking komt als een belanghebbende de schuld heeft betaald met het compensatiebedrag van (onder meer) de Catshuisregeling en de schuld voldoet aan de eisen van artikel 4.1 van de Wht. Bovendien moet de schuld zijn voldaan op een tijdstip na ontvangst van een bedrag als compensatie op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. Dat staat in artikel 4.3, derde lid, van de Wht. De (totale) terugbetaling kan niet hoger zijn dan het (in totaal) ontvangen bedrag op grond van een herstelmaatregel.
Totstandkoming van het bestreden besluit.
2.1.
Op 10 december 2020 heeft eiser in kader van de herstelregelingen ter compensatie een bedrag van € 51.859,- ontvangen. Op 24 december 2020 heeft eiser het restant van
€ 45.996,93 van een op nog openstaande schuld bij Quander Consumer Finance B.V. (hierna: Quander) afgelost. Eiser heeft op 30 oktober 2023 verweerder verzocht om vergoeding van de door hem afbetaalde schuld van € 45.996,93 op grond van de Wht.
2.2.
Verweerder heeft met een besluit van 29 november 2023 (het primaire besluit) eiser laten weten dat van de schuld alleen de betalingsachterstand die tussen 1 januari 2006 en
1 juni 2021 is ontstaan wordt vergoed, te weten: € 202,03. Met het bestreden besluit van
16 mei 2024 op het bezwaar van eiser is verweerde bij dat besluit gebleven. Volgens verweerder voldoet de schuld niet aan de vereisten van artikel 4.1. van de Wht.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd de afbetaalde schuld geheel te compenseren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Eiser stelt zich, kort gezegd, primair op het standpunt dat zijn schuld bij Quander voor 1 juni 2021 opeisbaar was. Daarnaast doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Subsidiair doet eiser een beroep op de hardheidsclausule.
4. In geschil is allereerst de vraag of de schuld van eiser bij Quander voldoet aan de eis van opeisbaarheid in de zin van artikel 4.1, tweede lid onder b, van de Wht.
4.1.
Eiser is op 12 juni 2018 wegens het gevolg van geldproblemen, die voortvloeiden uit de problematiek van de kinderopvangtoeslagenaffaire, een lening aangegaan bij Quander. Quander heeft daarna op verzoek van eiser een elders lopende lening van hem bij Defam B.V. afgelost. Het kredietlimiet van de lening bij Quander bedroeg € 55.527,00. Het totaal te betalen bedrag inclusief kredietvergoeding bedroeg € 72.243,60. De looptijd van de aflossing bedroeg 120 maanden. Eiser en Quander kwamen overeen dat eiser per maand een bedrag van € 602,03 aan Quander zou aflossen. Voorts is tussen eiser en Quander overeengekomen dat hij de lening altijd volledig of gedeeltelijke boetevrij kon aflossen.
4.2.
De vraag of de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was, moet worden beoordeeld aan de hand van wat in de Algemene voorwaarden bij de leningsovereenkomst over vervroegde opeisbaarheid staat vermeld.
4.3.
In artikel 6 (over de vervroegde opeisbaarheid) van de Algemene voorwaarden, staat voor zover van belang:
“In sommige gevallen moet het hele openstaande bedrag in één keer aan ons worden terugbetaald Dat is het geval als:
a) u een verschuldigd termijnbedrag na twee maanden nog steeds met hebt betaald, zelfs niet nadat we u hebben verzocht om alsnog te betalen en u in gebreke hebben gesteld;
[..]”.
4.4.
In artikel 1 (uitleg gebruikte woorden) van de Algemene voorwaarden, staat bij ingebrekestelling:
“Ingebrekestelling: u ontvangt een brief waarin wij aangeven dat u meerdere keren uw betalingsafspraken niet bent nagekomen. U krijgt, dan de gelegenheid om binnen een, bepaalde termijn de volledige betalingsachterstand te voldoen. Als u dit niet doet, bent u in verzuim”.
4.5.
Vastgesteld kan worden (en is niet in geschil) dat er vanaf 27 mei 2020 betalingsachterstand is ontstaan bij het betalen van de maandelijkse aflossingstermijnen. Op 20 augustus 2020 is sprake van een betalingsachterstand voor de maanden juni, juli en augustus 2020. Aan de eerste voorwaarde voor vervroegde opeisbaarheid, te weten dat een verschuldigd termijnbedrag na twee maanden nog steeds niet is betaald, is dan ook voldaan.
4.6.
Op 21 augustus 2020 heeft Quander eiser een brief gestuurd waarin onder meer staat:
“Achterstandsmelding
U hebt op dit moment een betalingsachterstand van € 1.806,09. Bij een betalingsachterstand van meer dan 2 maanden krijgt u een achterstandsmelding bij BKR. Dit kan er voor zorgen dat u in de toekomst geen lening of hypotheek mag afsluiten. Een achterstand wordt altijd geregistreerd, ongeacht de hoogte van de achterstand.
Voorkom de achterstandsmelding en betaal direct.
U kunt de achterstandsmelding voorkomen door uw achterstandsbedrag van € 1.806,09 binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief te betalen. […]”.
4.7.
Met eiser is de rechtbank van oordeel dat deze brief geldt als een ingebrekestelling zoals gedefinieerd in de Algemene voorwaarden aangezien Quander schrijft dat eiser meerdere keren zijn betalingsafspraken niet is nagekomen en eiser in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een bepaalde termijn – 7 dagen – zijn betalingsverplichting alsnog na te komen. Eiser heeft pas met de betaling op 31 augustus 2020 de achterstand betaald en voldaan, dus niet binnen termijn van 7 dagen. Eiser was dan ook in verzuim. Aan de tweede en derde voorwaarde voor vervroegde opeisbaarheid is dan ook voldaan: eiser was in verzuim nadat is verzocht te betalen en eiser is in gebreke gesteld.
4.8.
De stelling van verweerder dat de brief enkel een waarschuwing is die ziet op het voorkomen van een BKR-registratie en als zodanig puur informatief is en waarin niet expliciet het rechtsgevolg van vervroegde opeisbaarheid wordt genoemd, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft met het aangaan van de lening bij Quander de Algemene voorwaarden geaccepteerd. Aan de hand van de Algemene voorwaarden bij de leenovereenkomst blijkt naar oordeel van de rechtbank afdoende dat aan de daarin genoemde ‘materiële’ voorwaarden voor vervroegde opeisbaarheid is voldaan. De rechtbank benadrukt nogmaals dat de vraag of de hoofdsom daadwerkelijk is opgeëist, daarbij niet relevant is. Artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht spreekt immers van het opeisbaar zijn van de vordering voor 1 juni 2021. Dit komt ook overeen met het doel van de Wht: eiser kon vanaf het moment van het opeisbaar worden van de vordering de dupe worden van incassomaatregelen.
4.9
Het voorgaande betekent dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b van de Wht is voldaan en de rechtbank het beroep reeds hierom gegrond zal verklaren. De rechtbank komt dan ook niet toe aan beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel en het beroep op de hardheidsclausule.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij het primaire besluit herroept en bepaalt dat verweerder eiser ten aanzien van de schuld bij Quander compenseert voor een bedrag van € 45.996,93.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 3.108,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 647,- per punt en wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 mei 2024;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat verweerder eiser ten aanzien van de schuld bij Quander compenseert voor een bedrag van € 45.996,93;
en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Oosterhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.