Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-16
ECLI:NL:RBAMS:2025:327
Strafrecht; Europees strafrecht
Tussenuitspraak
2,831 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/341306-24 (EAB I)
Datum uitspraak: 16 januari 2025
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 8 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 maart 2019 door the Circuit Court in Olsztyn, Second Criminal Division (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 januari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement of the District Court in Olsztyn van 22 december 2016 met referentie VII K 384/16.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Artikel 12 OLW doet zich derhalve niet voor.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren, drie maanden en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
t.a.v. feit I, II, VI, VIII, IX, X, XIII:
telkens: medeplegen van poging tot oplichting
t.a.v. feit III, IV, V, VII, XI, XII, XIV:
telkens: medeplegen van oplichting
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om geen gevolg te geven aan het EAB (de rechtbank begrijpt: om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren) vanwege de dreigende schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon in de gevangenis van Barczewo. Subsidiair heeft hij verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander, de overlevering te weigeren en de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf in Nederland te bevelen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om in de onderhavige zaak eerst onderzoek in te stellen naar de detentieomstandigheden in de gevangenis van Barczewo, alvorens het beroep op gelijkstelling aan een Nederlander te beoordelen. In dat verband acht de rechtbank relevant dat de opgeëiste persoon zich niet primair op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn straf in Polen wil uitzitten. Integendeel, ter zitting heeft de opgeëiste persoon juist verklaard dat hij niet meer naar Polen terug wil omdat hij geen binding meer met dat land heeft. Hij heeft met stukken onderbouwd dat hij inmiddels al vele jaren ononderbroken in Nederland heeft gewoond en gewerkt en het is zijn bedoeling om hier zijn leven voort te zetten. Daarmee stelt de rechtbank vast dat, indien het beroep op gelijkstelling slaagt, het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon ook gediend is bij het uitzitten van de gevangenisstraf in Nederland. Het verzoek van de raadsman om een eventuele gelijkstelling pas aan de orde te laten komen als het beroep op artikel 11 OLW niet slaagt is dus, als nu al duidelijk is dat het beroep op artikel 6a OLW waarschijnlijk zal slagen, ofwel een geheel theoretische exercitie, ofwel een juridische manier om de tenuitvoerlegging van de in Polen onherroepelijk opgelegde straf uit of wellicht zelfs helemaal af te stellen. Voor het eerste is de overleveringsprocedure niet bedoeld. Het laatste strookt wat de rechtbank betreft niet met de achterliggende doelen van de Europese samenwerking in het kader van overlevering, waaronder het voorkomen van straffeloosheid. Daar komt bij dat een onderzoek naar mogelijke schending van grondrechten een verstrekkend middel is dat de rechtbank, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, slechts kan inzetten als de dreiging daarvan reëel is. Omdat uit het hiernavolgende blijkt dat het beroep op gelijkstelling een aanmerkelijke kans van slagen heeft en het bovendien zonneklaar is dat de opgeëiste persoon zijn straf niet in Polen wil uitzitten, is daarvan in de onderhavige zaak vooralsnog geen sprake. De rechtbank zal daarom eerst het beroep op artikel 6a OLW beoordelen.
Beoordeling
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De officier van justitie heeft terecht aangevoerd dat de laatste stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer pas kort voor de zitting zijn overgelegd, terwijl uit de datering daarvan volgt dat deze ook eerder hadden kunnen worden overgelegd. De rechtbank houdt er echter rekening mee dat de raadsman een groot deel van de gelijkstellingstukken al eerder had overgelegd en dat de aanvullende informatie relatief overzichtelijk is. De rechtbank zal deze dan ook toch bij de beoordeling betrekken. De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Weliswaar heeft hij enkele jaren niet op een brp-adres in Nederland ingeschreven gestaan, zoals de officier van justitie heeft aangevoerd, maar hij heeft hierover zelf verklaard dat hij zich niet mocht inschrijven op het woonadres dat zijn werkgever voor hem geregeld had. Uit de overgelegde urenoverzichten blijkt dat hij in die jaren zoveel heeft gewerkt, dat van seizoensarbeid geen sprake kan zijn geweest maar dat hij hier ononderbroken moet hebben gewoond en gewerkt.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Een dergelijke verklaring van de IND zit nog niet in het dossier. De rechtbank heropent en schorst derhalve het onderzoek om een dergelijke verklaring alsnog op te laten vragen.
Conclusie
Gelet op hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen heropent de rechtbank het onderzoek ter
zitting en schorst zij dit voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de IND een verklaring te vragen over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 47 en 326 Wetboek van strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de onder 5 en 6 bedoelde verklaring op te vragen bij de IND.
BEPAALT dat de zaak vanwege het verstrijken van de beslistermijn op 2 februari 2025, uiterlijk op 30 januari 2025 opnieuw op zitting moet worden gepland.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en tijd, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 januari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Dit hangt nog af van het IND-advies, maar de rechtbank heeft geconstateerd dat de opgeëiste persoon in Nederland geen strafblad heeft en acht de kans klein dat bij de IND de verwachting zal bestaan dat hij zijn verblijfsrecht zal verliezen als gevolg van de Poolse veroordelingen.