Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-16
ECLI:NL:RBAMS:2025:323
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,169 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/304664-24
Datum uitspraak: 16 januari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 1 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 september 2024 door het Amtsgericht Mönchengladbach, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
verblijvend op het adres:
[verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 januari 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J. Verstegen, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van het Amtsgericht Mönchengladbach van 28 augustus 2024 met dossiernummer 56a Gs 34/24 (700 Js 1990/24).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
3.1
Onduidelijk ten aanzien van het in het EAB genoemde dossiernummer
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat zij contact heeft gehad met de advocaat van de opgeëiste persoon in Duitsland. Via hem heeft zij vernomen dat het in het EAB genoemde dossiernummer in Duitsland volgens de officier van justitie aldaar niet bekend is. Gelet hierop heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd dient te worden, nu er geen strafzaak lijkt te lopen tegen de opgeëiste persoon in Duitsland. Subsidiair heeft zij verzocht de behandeling aan te houden, zodat vragen gesteld kunnen worden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd niet aan overlevering in de weg staat. De verwarring omtrent het dossiernummer brengt niet met zich mee dat er geen sprake zou zijn van een geldend EAB.
Oordeel van de rechtbank
De onduidelijkheid in het contact tussen de Duitse officier van justitie en advocaat over het in het EAB genoemde dossiernummer maakt niet dat er bij de rechtbank twijfels zijn ontstaan over de geldigheid van het EAB. Daarin wordt een nationaal arrestatiebevel genoemd dat de grondslag biedt voor het EAB. Niet is gebleken dat het nationale arrestatiebevel inmiddels is ingetrokken of dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gevraagde overlevering van de opgeëiste persoon niet (langer) wenst. Een eventuele verwarring over een dossiernummer is onvoldoende om die conclusie te dragen. Het verweer slaagt niet. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de behandeling aan te houden teneinde aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
4Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd dient te worden, nu uit de omschrijving van de feiten slechts heel summier blijkt wat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon daarbij is geweest. De omschrijving is daarmee niet genoegzaam. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de behandeling aan te houden, zodat op dit punt vragen gesteld kunnen worden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omschrijving van de feiten in het EAB genoegzaam is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In de onderhavige zaak is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de bovengenoemde vereisten. De omschrijving van de feiten is daarmee genoegzaam. Het verweer slaagt niet. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de behandeling aan te houden teneinde aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
5Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Mönchengladbach (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 januari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.