Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:317
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,943 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/7619 en AMS 24/7719
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 januari 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Amsterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 24 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een urgentieverklaring afgewezen.
1.2.
Met het bestreden besluit van 25 november 2024 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot het bepalen dat verweerder verzoekster moet behandelen als ware de aanvraag voor een urgentieverklaring toegewezen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en haar gemachtigde, de ouders van verzoekster, de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2.1.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekster. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank heeft partijen op deze bevoegdheid gewezen.
2.2.
De voorzieningenrechter beoordeelt of verweerder de aanvraag van verzoekster voor een urgentieverklaring heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van verzoekster.
2.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Verzoekster krijgt dus (in het beroep) gelijk. Dit betekent echter niet dat zij nu een urgentieverklaring krijgt. Verweerder moet namelijk een nieuw besluit daarover nemen en zich laten adviseren door de GGD. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.4.
De voor de beoordeling van beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Achtergrond van het verzoek
3.1.
Bij verzoekster is sprake van een autismespectrumstoornis en zij lijdt sinds 2009 aan meerdere ernstige psychische klachten; een eetstoornis, smetvrees, angsten (PTSS) en dwangklachten. Zij is meerdere keren (gedwongen) opgenomen geweest in ziekenhuizen en klinieken in de regio Den Haag. Verzoekster heeft de ouderlijke woning verlaten omdat daar haar zus verblijft die lijdt aan schizofrenie gepaard gaand met psychoses. Verzoekster is getraumatiseerd geraakt door psychotische episodes van haar zus. Verzoekster is in juli 2018 op zichzelf gaan wonen in Den Haag. Daar verergerden haar psychische klachten. Naar aanleiding daarvan is zij opgenomen op de afdeling psychiatrie in het Amsterdam UMC, waar zij een aantal maanden heeft verbleven. Daarna heeft zij een dagbehandeling geïndiceerd gekregen, maar zij kon vanwege haar psychische klachten en de trauma’s opgelopen in haar jeugd niet meer in de regio Den Haag verblijven. Verzoekster krijgt op dit moment ambulante medische behandeling in Amsterdam. Verzoekster volgt een opleiding aan de Hogeschool van Amsterdam. Met behulp van onder meer de decaan van die school heeft verzoekster in 2019 een woning toegewezen gekregen via Ymere op basis van de Leegstandswet, in het centrum van Amsterdam. Verzoekster heeft steeds een tijdelijk huurcontract voor deze woning gekregen. Op 31 mei 2024 is het huurcontract definitief geëindigd in verband met een geplande renovatie van het pand. Verzoekster heeft met Ymere nog kunnen afspreken dat zij uiterlijk tot en met 31 december 2024 in de woning mag blijven. Verzoekster blijft, zoals op de zitting ook is toegelicht, ook thans nog in deze woning, maar dat is niet rechtmatig omdat het huurcontract inmiddels niet meer geldig is. Verzoekster vreest als gevolg van een ontruimingsprocedure dakloos te raken. Op dit moment is haar (psychische) gezondheidstoestand redelijk stabiel, maar het is een fragiel evenwicht. Als zij dakloos raakt, vreest zij een ernstige terugval.
3.2.
Verzoekster heeft op 10 mei 2024 een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring wegens medische omstandigheden. Op 24 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van overmacht. Verzoekster is voorzienbaar verhuisd met medische klachten naar een woning met een tijdelijk contract. Een medische beoordeling is daarom ook niet mogelijk, aldus verweerder.
3.3.
Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaar van verzoekster op 25 november 2024 een nieuw besluit genomen. Verweerder heeft de urgentieverklaring afgewezen omdat er sprake is van drie algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 van de Huisvestingsverordening en de Nadere regels. Er is volgens verweerder geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem, omdat verzoekster zelf een tijdelijk huurcontract is aangegaan. Daarnaast had verzoekster volgens verweerder het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kunnen voorkomen of oplossen en is het huisvestingsprobleem ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van verzoekster. Verzoekster heeft zelf de woning in Den Haag verlaten en opgegeven en heeft zich niet willen laten behandelen in die regio, maar wel in Amsterdam. Dat is de eigen keuze van verzoekster geweest. Verder had verzoekster woningruil kunnen onderzoeken en heeft verzoekster zich niet maximaal ingespannen om zoekpunten te verkrijgen. Nu genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing zijn, heeft verweerder op grond van artikel 2.10.8, eerste lid onder b in samenhang met paragraaf 10.1 van de Nadere regels niet “doorgetoetst” of sprake is van ernstige medische of sociale omstandigheden op grond waarvan een urgentieverklaring moet worden verleend. Er is geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule omdat niet is gebleken van een onderscheidende schrijnende situatie.
Standpunt verzoekster
4. Verzoekster heeft – kortgezegd – aangevoerd dat haar ten onrechte de genoemde algemene weigeringsgronden worden tegengeworpen. Alle keuzes die verzoekster heeft gemaakt en die hebben geleid tot het wonen en studeren in Amsterdam op basis van een tijdelijk huurcontract zijn een gevolg van de bijzondere medische omstandigheden en psychische klachten. Het is precies vanwege die psychische klachten en de trauma’s opgelopen in haar jeugd dat verzoekster geen behandeling en woning in Den Haag meer aan kon. Dat verzoekster in Amsterdam een anker heeft gevonden, is niet terug te voeren op bewuste, rationele keuzes. Verzoekster ontvluchtte in feite de plekken waar zij eerder getraumatiseerd was geraakt. De studie in Amsterdam gaf verzoekster een veilig gevoel, ook door de warme betrokkenheid van de decaan. De decaan heeft zich vervolgens tot het uiterste ingespannen, samen met de vader van verzoekster, om een woning in nabijheid van de onderwijsinstelling te vinden voor verzoekster. Dat onderkomen werd gevonden in de tijdelijke huurwoning van Ymere. Verzoekster is in het centrum van Amsterdam gewend, voelt zich hier veilig en heeft haar vaste plekken waar zij bijvoorbeeld komt voor haar boodschappen. Als zij deze plek, structuur en routine kwijtraakt en dakloos wordt, zal haar psychische toestand snel achteruit gaan. Verzoekster verblijft op dit moment illegaal in de woning en kan elk moment worden uitgezet waardoor zij dakloos zal raken. Er is dan ook wel degelijk sprake van een urgent huisvestingsprobleem. In het licht van al deze omstandigheden kan verzoekster niet worden tegengeworpen dat zij een tijdelijk huurcontract is aangegaan. Ten onrechte heeft verweerder de hardheidsclausule niet toegepast, terwijl de problematiek van verzoekster maakt dat sprake is van een acute levensbedreigende situatie. De dakloosheid zal wel degelijk leiden tot een levensgevaarlijke situatie vanwege de ernst van haar psychische klachten.
Oordeel
5.1.
Uit de stukken en de toelichting op de zitting is het de voorzieningenrechter gebleken dat verzoekster autisme heeft en daarbij een lange voorgeschiedenis met ernstige psychische klachten. Naar aanleiding van de verklaringen van de betrokken psychiaters en psychologen en de verklaringen van verzoekster en haar vader op de zitting, rijst het beeld op dat verzoekster niet wil en ook niet kan verblijven in de regio Den Haag vanwege de trauma’s die zij heeft opgelopen in de thuissituatie door psychotische episodes van haar zus en door klinische opnames en behandelingen in de regio Den Haag. Zij is die regio min of meer ontvlucht om niet te worden blootgesteld aan de daar voor haar aanwezige stressoren en daardoor steeds opnieuw de trauma’s te herbeleven.
Conclusie
6.1.
Het beroep is gegrond omdat verweerder het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zorgvuldig heeft voorbereid en daarnaast onvoldoende heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen reden om zelf een beslissing over het toekennen van een urgentieverklaring te nemen, omdat het aan verweerder is om eerst nader medisch onderzoek te laten verrichten.
6.2.
De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter geeft verweerder hiervoor vier weken. Binnen die termijn dient ook een GGD-advies te worden verkregen. De voorzieningenrechter realiseert zich dat dit een korte termijn is, maar zij is van oordeel dat deze kwestie voortvarend handelen vergt van zowel de GGD als van verweerder.
6.3
De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat zij op basis van de stukken en de zitting de indruk heeft gekregen dat verzoekster uiterst kwetsbaar is en de situatie precair. De langdurige medische problematiek imponeert als complex en ernstig. In het licht daarvan geeft de voorzieningenrechter verweerder mee dat een welwillende, voor verzoekster positieve, nieuwe beslissing verweerder zou sieren.
6.4.
Nu er meteen op het beroep is beslist, zal het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening zoals bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid van de Awb. Hoewel verzoekster heeft aangevoerd dat zij op dit moment onrechtmatig in de woning verblijft en dat een ontruiming dreigt, is deze nog niet geconcretiseerd en is niet gebleken dat verzoekster niet nog een paar weken in haar woning kan blijven en op een beslissing kan wachten.
6.5.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden van totaal € 102,-. Verzoekster krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 102,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Huisvestingsverordening 2024
Artikel 2.10.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring
1.Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
(…)
b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
(…)
e. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of van een persoon behorend tot zijn of haar huishouden;
(…)
2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de toepassing van het eerste lid en de toepassing van de urgentiecategorieën in artikel 2.10.6 tot en met 2.10.8.
(…)
Artikel 2.10.8 Overige urgentiecategorieën
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.10.5 kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager tot ten minste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:
a. woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren;
b. woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.10.7 bedoelde urgentiecategorie;
(…)
Nadere regels Huisvestingsverordening 2024
Artikel 3. Algemene weigeringsgronden (artikel 2.10.5 HVV)
Bij alle categorieën van urgentie gelden de weigeringsgronden uit artikel 2.10.5 van de HVV. De aanvraag wordt getoetst aan alle weigeringsgronden. Indien één of meerdere van deze weigeringsgronden van toepassing zijn, wordt de aanvraag geweigerd. De weigeringsgronden worden hieronder uitgewerkt en worden beoordeeld aan de hand van de onderstaande voorwaarden en criteria. Overigens is de uitwerking per weigeringsgrond niet uitputtend bedoeld (niet limitatief).
…
Ad b) Géén urgent huisvestingsprobleem.
Indien zich uitsluitend één of een combinatie van de onderstaande problemen voordoet, is er géén urgent huisvestingsprobleem:
(…)
9. de aanvrager heeft een tijdelijke huurovereenkomst;
(…)
Ad c) Het huisvestingsprobleem was redelijkerwijs op te lossen of te voorkomen.
Van een dergelijk probleem is in ieder geval sprake als de aanvrager:
1. niet alles wat redelijkerwijs tot diens mogelijkheden behoort heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen;
(…)
8. zich niet maximaal heeft ingespannen om zoekpunten te verkrijgen.
In algemene zin geldt dat het huisvestingsprobleem van de aanvrager dient te zijn ontstaan uit een overmachtssituatie om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring. Volledigheidshalve wordt daarboven opgemerkt dat sociale of medische problemen geen uitzondering geven op weigeringsgrond c.
…
Ad e) Het huisvestingsprobleem is het gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden, hiervan is in ieder geval sprake:
1. bij woninguitzetting in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag, wegens huurschuld, overlast, fraude of criminele activiteiten, veroorzaakt door de aanvrager of een lid van diens huishouden;
2. als de aanvrager in de gemeente is komen wonen zonder te zorgen voor adequate woonruimte voor zichzelf en eventuele andere leden van zijn of haar huishouden, zoals met of zonder kinderen gaan inwonen bij een ander huishouden; of
3. als de aanvrager in detentie is opgenomen en na vrijlating geen huisvesting kan vinden.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat sociale of medische problemen geen uitzondering geven op weigeringsgrond e.
….
Artikel 10.1 Urgentiecategorie medische redenen (medische urgentie artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel b, HVV)
1.Aan artikel 2.10.8 HVV wordt niet getoetst als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 HVV.
Artikel 24. Hardheidsclausule (artikel 2.10.11 HVV)
Indien een aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor urgentieverlening kunnen burgemeester en wethouders alsnog een urgentieverklaring verlenen indien:
weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening, onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
Toelichting op de hardheidsclausule bij medische problematiek
Onder een schrijnende situatie bij medische problematiek wordt verstaan een uitzonderlijke noodsituatie waar een urgentieverklaring voor noodzakelijk is. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.
P.P. de Koning, psychiater en E.F.J. Brekelmans, GZ-psycholoog beiden verbonden aan Amsterdam UMC. B. Klaassen GZ-psycholoog verbonden aan Pro Persona, M.A.C. van de Laar, GZ-psycholoog, A. Roemer en C. Lisman, beiden als psycholoog verbonden aan De Autisme specialist.