Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-12
ECLI:NL:RBAMS:2025:3125
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,451 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/382
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Wattilete),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: mr. J.C. Smit).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een gesloten buitenwagen op grond van de Wmo 2015.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 12 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De rechtbank toetst of eiser vanwege medische en functionele beperkingen aangewezen is op een gesloten buitenwagen. Vaststaat dat eiser door zijn medische beperkingen een vervoersprobleem heeft op korte en middellange afstanden.
4. In bezwaar heeft eiser aangegeven last te hebben van astma en allergieën waardoor hij niet op een scootmobiel in de buitenlucht kan rijden. Het college heeft naar aanleiding daarvan een herbeoordeling gevraagd aan Argonaut. Eiser is vervolgens door twee artsen van Argonaut gezien; tijdens een spreekuur en bij hem thuis. Beide artsen hebben geadviseerd dat er geen noodzaak bestaat voor binnen vervoer. Eiser voert aan dat zijn klachten als gevolg van astma niet in de advisering van Argonaut en de beoordeling door het college zijn betrokken.
5. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig is genomen. De brief van de huisarts over zijn astma klachten is meegenomen door de artsen van Argonaut en de artsen hebben eiser ook gesproken over deze klachten. Beide artsen komen tot dezelfde conclusie. Ondanks dat de astma klachten niet letterlijk worden genoemd in de adviezen, is het logischerwijs onderdeel van de beoordeling of eiser op een scootmobiel in de buitenlucht kan rijden met zijn klachten. De rechtbank kan het college volgen dat de adviezen van Argonaut zorgvuldig en concludent zijn. Ook kan de rechtbank de gemachtigde van het college volgen dat niet alle vormen van astma en allergie maken dat iemand is aangewezen op binnen vervoer omdat deze klachten ook behandeld kunnen worden. Gelet op de adviezen, was het in beroep aan eiser om te onderbouwen dat zijn astma en allergie van zodanig ernstige aard zijn dat hij weldegelijk is aangewezen op vervoer in een gesloten buitenwagen. Dat kon bijvoorbeeld door het overleggen van nadere medische gegevens van een specialist. Dit heeft eiser in beroep niet gedaan.
6. Dit betekent dat het college de aanvraag voor een gesloten buitenwagen terecht heeft afgewezen. Op grond van de adviezen van Argonaut kon het college concluderen dat geen sprake is van medische noodzaak voor binnen vervoer.
7. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de gemachtigde van het college heeft aangeboden dat eiser ook kan kiezen voor een persoonsgebonden budget voor een scootmobiel, waarmee hij zelf een tweedehands gesloten buitenwagen kan aanschaffen. De gemachtigde heeft aangegeven dat dit aanbod ook na deze procedure blijft staan.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2025 door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.