Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-04-09
ECLI:NL:RBAMS:2025:3048
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/1631 uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en Tweede Kamer der Staten-Generaal, verweerder (gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van verweerder op eisers verzoek om documenten openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). 2. Met de besluiten van 1 februari 2024 (deelbesluit 1) en 4 juni 2024 (deelbesluit 2) heeft verweerder het Woo-verzoek gedeeltelijk afgewezen. 3. Partijen hebben ingestemd met direct beroep bij de rechtbank. Verweerder heeft in die procedure op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 4. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2025 op zitting behandeld. Hier heeft eiser samen met zijn gemachtigde aan deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. C.A. Gelijnse. 5. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak AMS 24/3581, maar de zaken zijn na de behandeling ter zitting weer gesplitst. Wat aan deze procedure voorafging Achtergrond 6. Op 28 september 2022 hebben het Presidium en de Griffier van de Tweede Kamer gezamenlijk besloten tot het instellen van een extern onafhankelijk feitenonderzoek naar [functie] [persoon] naar aanleiding van twee ontvangen anonieme brieven. In deze brieven werd melding gedaan van concrete en duidelijke signalen dat voor ambtenaren werkzaam bij verweerder (mogelijk) sprake is (geweest) van een zeer onveilige werkomgeving. Dit feitenonderzoek is uitgevoerd door onafhankelijk onderzoeksbureau [naam 1] . 6.1. Op 31 oktober 2023 is een samenvatting van het door [naam 1] opgestelde rapport integraal toegestuurd aan de leden van de Tweede Kamer. Deze samenvatting is hierdoor openbaar. Het rapport zelf is vertrouwelijk en niet door verweerder openbaar gemaakt. Woo-verzoek 7. Eiser heeft op 3 november 2023 een Woo-verzoek ingediend bij verweerder tot openbaarmaking van dit rapport en alle communicatie bij of onder verweerder over dit extern feitenonderzoek naar de [functie] vanaf 1 juli 2022 tot heden. 7.1. Verweerder heeft met eiser afgesproken te werken met deelbesluiten. Het eerste deelbesluit betreft het rapport van het feitenonderzoek van onderzoeksbureau [naam 1] (het Rapport). Verweerder heeft met deelbesluit 1 integraal geweigerd het Rapport openbaar te maken. 7.2. Verweerder heeft vervolgens deelbesluit 2 genomen. Dit besluit ziet in totaal op 1.359 documenten. Verweerder heeft besloten om hiervan 21 documenten geheel openbaar te maken, 851 documenten gedeeltelijk openbaar te maken en 487 documenten niet openbaar te maken. Bij deze openbaarmaking heeft zij de aangetroffen documenten ingedeeld in categorieën van A tot en met J. Op 22 januari 2025 heeft eiser zijn beroepsgronden tegen deelbesluit 2 toegestuurd en hierin gespecifieerd dat zijn gronden zien op de documenten in de categorie C (onderzoeksopdracht, aanzoeken onderzoeksbureau en overeenkomst Gedelegeerd Opdrachtgevers) en categorie D (advisering [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ). Beoordeling door de rechtbank 8. De rechtbank beoordeelt of de minister op de juiste wijze heeft beslist op het Woo-verzoek van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 9. De rechtbank heeft het Rapport volledig bekeken. De documenten die zien op deelbesluit 2 heeft de rechtbank steekproefsgewijs beoordeeld, zoals ook ter zitting is besproken. De rechtbank zal per deelbesluit, en dan zoveel mogelijk per weigeringsgrond en geclusterde stukken, bespreken wat haar oordeel is. Deelbesluit 1: het Rapport 10. Verweerder heeft openbaarmaking van het Rapport integraal geweigerd op grond van (a) de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bij het feitenonderzoek betrokken personen en (b) het goed functioneren van de Tweede Kamer , meer specifiek het goed functioneren van de Tweede Kamer als werkgever. Hierbij is volgens ver 14.1. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling mag in het algemeen ervan worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob (nu de Woo) heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Woo strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden om van dit uitgangpunt af te wijken. 14.2. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die zouden meebrengen dat, gelet op de onderzoeksjournalistiek van eiser, de belangenafweging bij het toepassen van de weigeringsgronden in de Woo anders zou moeten uitpakken. Dat het Rapport, en dan met name de inhoudelijke delen, een grote maatschappelijke impact heeft gehad, tot veel maatschappelijke discussie heeft geleid en dat het journalistieke belang groot is, zijn geen belangen die op grond van de Woo in de belangenafweging een rol kunnen spelen. Het belang van openbaarmaking is een op zichzelf staand belang. Aan het belang van openbaarheid van overheidsinformatie kan niet meer gewicht toekomen vanwege de aard of de inhoud van de documenten waar om wordt gevraagd. De omstandigheid dat eiser en zijn gemachtigde journalist zijn en dat het maatschappelijk belang bij openbaarmaking groot is, is dus, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende. 15. Aangezien deelbesluit 1, gelet op voorgaande overwegingen, een motiveringsgebrek bevat ten aanzien van het niet openbaar maken van hoofdstuk 1 van het Rapport, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en het beroep gegrond verklaren. Zij vernietigt deelbesluit 1 op deze punten en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen, waarin verweerder bovenstaande in ogenschouw dient te nemen. Deelbesluit 2: de correspondentie rondom het Rapport 16. De gronden van eiser tegen deelbesluit 2 zien enkel op de stukken in de categorie C en D. Verweerder heeft het beroepschrift van eiser zo opgevat, dat het niet gericht was tegen de (gedeeltelijke) weigering van alle documenten uit deze categorieën, maar uitsluitend op de documenten die betrekking hebben op namen van andere onderzoeksbureaus dan [naam 1] , hun voorgestelde werkwijze en afwegingen. Zij heeft daarom enkel die documenten toegestuurd die hierop betrekking hebben. Eiser is op de zitting akkoord gegaan met deze trechtering. 16.2. De rechtbank zal hieronder per categorie, stuk en weigeringsgrond bespreken wat haar oordeel is. Voor zover documenten binnen deze categorieën (enkel) zijn geweigerd op grond van de weigeringsgrond intern beraad heeft de rechtbank niet naar deze documenten gekeken, nu eiser tegen deze weigeringsgrond geen beroepsgrond heeft aangevoerd. Categorie C Bescherming persoonlijke levenssfeer Document 14 17. In dit document zijn de persoonsnaam bij [bedrijf 3] en de ontvanger en verzender van deze e-mail op grond van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer weggelakt. Aangezien het in dit document alleen om namen van personen gaat, hoefde verweerder de gelakte delen van dit document op basis van deze weigeringsgrond niet openbaar te maken. Goed functioneren Tweede Kamer Document 82 18. Dit document is een vervolg op document 14. In dit document is er gelakt op grond van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (e-grond) en het goed functioneren van de Tweede Kamer (i-grond) . Uit de gelakte delen in dit document, die onder de i-grond vallen, blijkt dat er overleg is geweest tussen de Tweede Kamer en derden. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat openbaarmaking tot gevolg zal hebben dat derden terughoudender zullen worden om medewerking te verlenen waardoor het goed functioneren van de Tweede Kamer in het geding zou komen. De gelakte delen onder de e-grond heeft verweerder voldoende gemotiveerd nu het gaat om persoonsg In die zienswijze kunnen de bedrijven onderbouwen waarom zij wel of niet in de openbaarheid willen treden met andersoortige informatie dan hun tarieven en/of werkwijze en op welke manier zij daarmee in hun belangen zouden worden geschaad. Categorie D 21. Verweerder stelt zich voor wat betreft de documenten in deze categorie op het standpunt dat de Staat en bestuursorganen als de Tweede Kamer de mogelijkheid moeten hebben om zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking tot een advocaat te kunnen wenden. Zij verwijst hierbij naar het verschoningsrecht. Hier zou afbreuk aan worden gedaan als de Staat of bestuursorganen zouden worden gedwongen om tegen hun wil informatie die vertrouwelijk met een advocaat is gewisseld openbaar te maken. Wat op die manier weer het goed functioneren van de Staat zou kunnen schaden. Op de zitting heeft verweerder betoogd dat beide gronden in dit geval van toepassing zijn, maar dat verweerder zich primair beroept op het verschoningsrecht dat aan advocaten toekomt. Verweerder heeft met deze motivering veel van de stukken in categorie D integraal geweigerd. 21.1 De rechtbank volgt de redenering van verweerder niet. Verweerder trekt hier een parallel tussen de Woo en het verschoningsrecht, die de rechtbank niet op deze manier ziet dan wel op deze wijze invult. Verweerder heeft haar motivering nu zo ingekleed dat zij het verschoningsrecht als absolute weigeringsgrond gebruikt, nu het verschoningsrecht tussen advocaat en cliënt voor de advocaat ook absoluut is. Verweerder heeft dus geen belangenafweging gemaakt, maar heeft alle communicatie met haar advocaten geweigerd op grond van het verschoningsrecht. Alhoewel de rechtbank het belang ziet van het recht om zich vrijelijk tot een advocaat te kunnen wenden en dit tevens een groot goed vindt, is het geen weigeringsgrond. Dit maakt ook dat de Woo zich naar het oordeel van de rechtbank in beginsel verzet tegen zo’n volledige uitsluiting op basis van deze niet in de Woo genoemde categorie. Het belang dat verweerder probeert te beschermen kan ook worden gediend binnen de weigeringsgronden die de Woo wél kent. 21.2. De rechtbank is verder van oordeel dat de door de Hoge Raad geschetste lijn waarop verweerder een beroep doet een andere situatie betreft. De rechtbank vindt het hierbij van belang om op te merken dat het in onderhavige situatie gaat om een bestuursorgaan waarop de Woo van toepassing is. Overheidsorganisaties moeten informatie over wat zij doen en waarom, uit zichzelf geven of als iemand daarom vraagt, tenzij een weigeringsgrond van toepassing is. Het gebruik van dit recht als absolute weigeringsgrond past naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet bij de systematiek van de Woo. Het voorgaande zou naar het oordeel van de rechtbank anders kunnen worden, als verweerder het verschoningsrecht gebruikt als een (nadere) motivering bij een uit de Woo volgende weigeringsgrond. Als verweerder vindt dat een document geweigerd moet worden, zal zij dit aan de hand van een weigeringsgrond moeten motiveren en kan zij dit onderbouwen met het (belang van het) verschoningsrecht. 22. Verweerder heeft zich subsidiair op de i-grond beroepen, door te stellen dat alle communicatie tussen advocaten en de Tweede Kamer (en zo dus ook alle documenten in de categorie D) vertrouwelijk is omdat dit binnen het verschoningsrecht valt, waardoor openbaarmaking het goed functioneren van de Staat zou kunnen schaden. Ook deze argumentatie gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. De documenten zullen mogelijk ook veel feitelijkheden bevatten die geen juridisch (proces)advies betreffen en niet vertrouwelijk zijn en dus openbaar gemaakt moeten worden. Verweerder kan met een verwijzing naar het verschoningsrecht ook op de i-grond niet tot een integrale weigering voor communicatie met haar advocaten komen. De i-grond betreft een relatieve weigeringsgrond waarbij verweerder per definitie per document en alinea een belangenafweging dient te maken. 23. Aangezien de rechtbank h