Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:301
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,916 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3958
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. M.D. Kaak),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een bestuurder en passagier.
1.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 1 november 2023 afgewezen. Uit de gevraagde adviezen van de GGD blijkt namelijk dat eiseres niet voldoet aan de criteria voor een GPK voor zowel bestuurder als passagier. Uit het advies van
1 september 2023 volgt dat eiseres zich, zonder hulp van een ander, met de gebruikelijke loophulpmiddelen, redelijkerwijs over een langere afstand dan 100 meter aaneengesloten kan voortbewegen. De geschatte loopafstand is meer dan 100 meter. Eiseres is bovendien niet van ‘deur tot deur’ afhankelijk van de ondersteuning door een ander. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de GGD meermaals advies uitgebracht met als conclusie afwijzing van de aanvraag. Met het bestreden besluit van 31 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de zoon van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2.
2.1.
De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag voor een GPK voor een bestuurder en passagier mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader
3.
3.1.
Volgens artikel 1, eerste lid, onder a van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart komen bestuurders van een motorvoertuig, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen, in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart.
3.2.
Volgens artikel 1, eerste lid, onder b van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart kunnen passagiers, die een aantoonbare loopbeperking hebben waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te lopen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder, in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart.
3.3.
Volgens vaste rechtspraak van de hoger beroepsrechter mag het college zich bij het nemen van besluiten baseren op een medisch advies als dit zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is, begrijpelijk is gemotiveerd en het advies de conclusie kan dragen. Het is dan vervolgens aan de aanvrager om met medische stukken aannemelijk te maken dat het medisch advies niet klopt.
Mocht het college uitgaan van adviezen van de GGD?
4.
4.1.
Eiseres voert aan het niet eens te zijn met het bestreden besluit omdat het bestreden besluit is genomen op basis van een onzorgvuldig en ondeugdelijk advies van de GGD. Volgens eiseres is de GGD niet onafhankelijk omdat de GGD valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Amsterdam. Daarnaast heeft dezelfde arts zowel het onderzoek in de primaire fase als in de bezwaarfase verricht. De onpartijdigheid van het advies staat daarmee niet vast volgens eiseres. Er is niet overkoepelend gekeken naar de gehele medische situatie van eiseres. Ook is volgens eiseres nagelaten om haar opnieuw te onderzoeken op een spreekuur en om contact te zoeken met de medisch specialisten en zorgverleners bij wie eiseres onder behandeling is.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De enkele stelling dat sprake is van partijdigheid en geen onafhankelijke advisering door de GGD, omdat de GGD onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Amsterdam valt, is onvoldoende voor de conclusie dat de adviezen van de GGD niet op een deugdelijke en zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Het standpunt van eiseres dat dezelfde arts zowel het onderzoek in de primaire fase als in de bezwaarfase heeft verricht, is feitelijk onjuist. In de primaire fase heeft mevrouw [naam 1] de adviezen van 1 september 2023 en 20 oktober 2023 opgesteld. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres is het advies van 11 maart 2024 opgesteld door een andere arts van de GGD, namelijk de heer [naam 2] . Nog daargelaten dat er geen rechtsregel bestaat die het college ertoe verplicht om in bezwaar een andere GGD-arts in te schakelen dan degene die heeft geadviseerd in de primaire fase. Voor zover eiseres verder heeft betoogd dat er geen second opinion heeft plaats gevonden omdat de heer [naam 2] eiseres niet heeft gezien op een spreekuur, geldt dat er evenmin een verplichting voor het college om een tweede geneeskundig onderzoek te laten plaatsvinden naar aanleiding van het bezwaarschrift. Ook bestaat er geen verplichting voor het college om contact op te nemen met de behandelaren van eiseres.
4.3.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet is gebleken dat getwijfeld moet worden aan de conclusie van de GGD-artsen of aan de wijze waarop de adviezen tot stand zijn gekomen. Het college mocht bij de beoordeling van de aanvraag van eiseres uitgaan van de medische adviezen van de GGD. De beroepsgrond faalt.
Mocht het college de aanvraag voor een GPK voor een bestuurder afwijzen?
5.
5.1.
Eiseres voert aan dat zij, anders dan dat de GGD-arts heeft geconcludeerd, niet in staat is om zelfstandig of met de gebruikelijke loophulpmiddelen meer dan 100 meter aan een stuk te lopen. Volgens eiseres volgt uit de overgelegde brieven van haar behandelaars dat zij enorm hulpbehoevend is.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat duidelijk is dat eiseres kampt met medische problemen die haar beperken in haar dagelijks leven en in haar mobiliteit. Het college miskent dit ook niet.
5.3.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of eiseres met de door haar overgelegde medische informatie aannemelijk heeft gemaakt dat het medisch advies van de GGD niet klopt. Daarbij moet de rechtbank vaststellen dat eiseres weliswaar verwijst naar medische stukken, maar dat zij niet uitlegt waarom daaruit volgt dat de GGD-artsen haar loopbeperking verkeerd hebben beoordeeld. Het blijft vooral bij de stelling dat uit de medische informatie blijkt dat zij enorm hulpbehoevend is. Overigens wordt in dit verband nog opgemerkt dat zowel het college als de rechtbank niet beschikken over een brief van de orthopedisch chirurg van eiseres waaruit zou blijken dat eiseres minder dan 100 meter kan lopen. Ter zitting heeft de zoon van eiseres op zijn telefoon aan de rechtbank en het college een brief met een dergelijke strekking (overigens zonder uit te leggen waarop deze conclusie is gebaseerd) laten zien, maar die dateert van ruim na de beslissing op bezwaar. Bovendien heeft eiseres onvoldoende onderbouwd waarom zij geen gebruik kan maken van loophulpmiddelen om 100 meter af te leggen.
5.4.
In wat eiseres heeft aangevoerd en in de overgelegde medische stukken ziet de rechtbank dus geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusies van de GGD-artsen. Daarbij is ook relevant dat eiseres gedurende de procedure telkens (nieuwe) medische informatie heeft overgelegd van haar behandelaars, die vervolgens steeds door de GGD-artsen is betrokken in de adviezen. Geconcludeerd wordt dat eiseres onvoldoende met medische stukken heeft onderbouwd waarom het advies van de GGD niet deugt en dat zij niet in staat is met loophulpmiddelen een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen.
5.5.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het college op goede gronden heeft mogen concluderen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.
Mocht het college de aanvraag voor een GPK voor een passagier afwijzen?
6.
6.1.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het college mogen concluderen dat eiseres in staat wordt geacht om zelfstandig of met de gebruikelijke loophulpmiddelen een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen. Daar komt bij dat voor een GPK voor een passagier ook de voorwaarde geldt dat een persoon voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. Verweerder heeft ter zitting nog eens uitgelegd dat dit alleen het geval is indien iemand niet even alleen gelaten kan worden, in afwachting van de bestuurder die de auto parkeert.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
17 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:466.