Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-07
ECLI:NL:RBAMS:2025:2985
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,640 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-062499-25
Datum uitspraak: 7 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 28 februari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 oktober 2022 door the Regional Court in Rzeszów, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting 23 april 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een
I. enforceable judgement by District Court in Rzeszów dated 23 November 2018, case reference number II K 248/18 (hierna: II K 248/18), (welk final and enforceable werd op 21 januari 2021 door the court of appeals)II. enforceable judgement by District Court in Rzeszów dated 19 May 2021 case reference number II K 1123/20 (hierna: II K 1123/20).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk twee jaren en tien maanden (II K 248/18) en zes maanden (II K 1123/20), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteren volgens het EAB respectievelijk nog twee jaar, zeven maanden en twee dagen (II K 248/18) en vijf maanden en negen dagen (II K 1123/20). De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat in de zaak II K 248/18 het hoger beroep dient te worden getoetst. De gestelde vragen ten aanzien van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zijn niet afdoende beantwoord. Verder is het niet duidelijk of de opgeëiste persoon de adresinstructie heeft gekregen en of de opgeëiste persoon wist of had moeten weten dat deze adresinstructie zich ook uitstrekte over de hoger beroep procedure. De behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere informatie te krijgen over de mogelijkheden van de uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de zaak II K 1123/20, heeft de raadsman zich niet uitgelaten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in de zaak II K 248/18 het hoger beroep dient te worden getoetst. De opgeëiste persoon wist van de procedure, want hij is in het vooronderzoek gehoord. De opgeëiste persoon heeft daarbij een adresinstructie gehad, waarvoor hij heeft getekend. Uit de aanvullende informatie van 27 maart 2025 blijkt dat de adresinstructie zich uitstrekt over de gehele procedure. De oproepingen voor de zitting zijn naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Daarbij komt dat de opgeëiste persoon tijdens zijn voorgeleiding op 28 februari 2025 heeft verklaard dat hij wist van het hoger beroep en dat namens hem hoger beroep was ingesteld. Het is daarom aan de opgeëiste persoon te wijten dat hij zijn verdedigingsrechten niet heeft uitgeoefend. De overlevering hoeft op grond van dit artikel niet te worden geweigerd.
In de zaak II K 1123/20 is de opgeëiste persoon in het vooronderzoek verhoord, waarbij hij op 11 september 2020 een adresinstructie heeft ontvangen en hij het adres van zijn ouderlijk huis heeft opgegeven. De opgeëiste persoon heeft vervolgens geen adreswijziging doorgegeven. Bovendien blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon op 16 februari 2021 de oproeping voor de zitting in persoon heeft opgehaald. Er is daarom sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12 onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook niet van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
II K 248/18
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken en het verhandelde op zitting volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg. Uit de aanvullende informatie van 27 maart 2025 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon ten behoeve van de procedure in eerste aanleg op 27 maart 2018 om toevoeging van een raadsman heeft verzocht. Daarbij komt dat de opgeëiste persoon voor de feiten waarvoor hij is veroordeeld is verhoord, waarbij de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen en hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. Uit deze van de Poolse autoriteiten ontvangen aanvullende informatie van 27 maart 2025 blijkt eveneens dat deze adresinstructie zich uitstrekt over de gehele procedure. De opgeëiste persoon heeft verklaard het adres van zijn ouderlijk huis te hebben opgegeven. De oproep voor de zitting in hoger beroep is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Deze informatie wordt bevestigd door de verklaring van de opgeëiste persoon zelf dat zijn moeder hem op de hoogte heeft gehouden van de procedures, waarbij zij zelfs een klacht heeft ingediend gelet op de hoeveelheid politie die voor de opgeëiste persoon aan de deur kwam, terwijl de opgeëiste persoon al naar Nederland was vertrokken.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten I, III en IV niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,
mishandeling, meermalen gepleegd.
7De weigeringsgrond van artikel 11 OLW
7.1
Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7.2
Poolse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat ten aanzien van beide zaken onduidelijk is waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden geplaatst. Een detentiegarantie is nodig om vast te kunnen stellen dat na de overlevering van de opgeëiste persoon geen gevaar is van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De behandeling van de zaak dient daarom te worden aangehouden om deze garantie van de Poolse autoriteiten te ontvangen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de rechtbank eerder vastgestelde algemeen gevaar voor schending van grondrechten in Poolse detentiecentra, ziet op personen die worden vervolgd en van wie de voorlopige hechtenis is bevolen. Er is geen algemeen gevaar vastgesteld voor personen, zoals de opgeëiste persoon, die worden overgeleverd om een gevangenisstraf uit te zitten. Het is dan ook niet nodig om een detentiegarantie van de Poolse autoriteiten te krijgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft reeds eerder geoordeeld dat de zorgen die blijken uit het CPT-rapport van
22 februari 2024 voornamelijk betrekking hebben op detentieomstandigheden in remand prisons van personen die worden vervolgd en van wie de voorlopige hechtenis is bevolen. De overlevering van de opgeëiste persoon is door de Poolse autoriteiten verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van aan hem opgelegde gevangenisstraffen. Het CPT-rapport van 22 februari 2024 bevat geen gegevens die duiden op een reëel gevaar dat personen - zoals de opgeëiste persoon - die een gevangenisstraf moeten ondergaan, onmenselijk of vernederend worden behandeld zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Evenmin heeft de raadsman verder op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat personen die in Polen zijn gedetineerd ten behoeve van de executie van een aan hen opgelegde straf, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Derhalve is de vraag waar en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon na overlevering wordt gedetineerd niet relevant.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 300 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Rzeszów, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. M. Westerman en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en D. Kloos, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ÁG113121185891&È
G113121185891
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).