Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-07
ECLI:NL:RBAMS:2025:2983
Internationaal publiekrecht, Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,347 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer:13-058615-25
Datum uitspraak: 7 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 26 februari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 februari 2025 door het Amtsgericht [Kantongerecht] Heilbronn, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon 1] ,
geboren op [geboorte dag] 1975 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in het [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 april 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij in ieder geval de Nederlandse nationaliteit heeft. De rechtbank leidt uit de Informatiestaat SKDB-persoon af dat de opgeëiste persoon tevens de Turkse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrestatiebevel ten behoeve van de voorlopige hechtenis uitgevaardigd door het Amtsgericht Heilbronn [Kantongerecht] op 23 september 2014 met dossiernummer 21 Gs 2501/14.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. Het originele EAB en de vertaling spreken elkaar tegen op het punt van het aantal feiten waar de opgeëiste persoon van wordt verdacht. Het originele Duitse EAB noemt de verdenking van zeven strafbare feiten, terwijl de vertaling uitgaat van één strafbaar feit. Het specialiteitsbeginsel is daarom niet gewaarborgd. Het is noodzakelijk dat de opgeëiste persoon weet waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. De raadsman verzoekt de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden om de Duitse autoriteiten om verduidelijking op dit punt te vragen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. In de vertaling staat weliswaar genoemd dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van één strafbaar feit, maar in de uitwerking van de verdenking staan zeven afzonderlijke strafbare feiten, alle voorzien van een pleegdatum, een pleegplaats en de rol van de opgeëiste persoon, uitgewerkt. Het is een kennelijke verschrijving in de vertaling van de vertaler.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat het EAB genoegzaam is.
Het is evident dat de omstandigheid dat in de vertaling wordt gesteld dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van één strafbaar feit een kennelijke verschrijving is, waarbij kennelijk het getal ‘7’ voor een ‘1’ is aangezien. Uit de uitwerking van de verdenking blijkt immers dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van zeven strafbare feiten. Uit de omschrijving van deze zeven feiten volgen de omstandigheden waaronder elk van deze strafbare feiten is gepleegd, met vermelding van pleegdatum en -plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook gewaarborgd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om de Duitse autoriteiten verduidelijking op dit punt te vragen.
4Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duits een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid voor de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon is een Nederlander, maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6 OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek tegen de opgeëiste persoon in Duitsland is aangevangen, medeverdachten in Duitsland worden berecht of zijn veroordeeld, bewijsmiddelen zich daar bevinden, de verdovende middelen in Duitsland zijn ingevoerd en verkocht en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat de in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het gegeven dat de feiten geacht worden gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon 1] aan Amtsgericht [Kantongerecht] Heilbronn, Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. M. Westerman en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en D. Kloos, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ÁG913121208941JÈ
G913121208941
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.