Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:2916
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,491 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-408348-24
Datum uitspraak: 25 maart 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 2 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), welke vordering op 11 februari 2025 is aangevuld met een verzoek tot het nemen van een beslissing op het verzoek om afgifte van in beslag genomen goederen.
Dit EAB is uitgevaardigd 27 december 2024 door the Instruction Court number 3 of Marbella, Spanje (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres]
gedetineerd in het [detentieplaats]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 20 februari 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 6 maart 2025
De rechtbank heeft vastgesteld dat de door de Magistrate-Judge of the Instruction Court No. 2 of Marbella (Spanje) op 13 februari 2025 ten behoeve van de opgeëiste persoon afgegeven terugkeergarantie niet onvoorwaardelijk is. Het onderzoek is heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om via de officier van justitie nadere vragen te stellen aan de Spaanse autoriteiten over de verstrekte terugkeergarantie.
Zitting 19 maart 2025
De behandeling van het EAB is met toestemming van partijen hervat in de stand van het onderzoek van de zitting van 20 februari 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft,
officier van justitie. De niet verschenen opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht ter zitting aanwezig te zijn bij verklaring van 19 maart 2025. De opgeëiste persoon is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 6 maart 2025
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten. Deze overwegingen dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Verzoek tot overdracht inbeslaggenomen goederen.
Het EAB houdt een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die tijdens zijn aanhouding zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht te beslissen tot het toestaan van de overdracht van de bij de opgeëiste persoon inbeslaggenomen goederen aan de Spaanse autoriteiten. Ter zitting heeft de officier van justitie toegelicht dat het gaat om de goederen genoemd op de in het dossier aanwezige ‘Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen ex artikel 49 OLW’.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de overdracht van de inbeslaggenomen goederen ex artikel 49 OLW.
Artikel 49 OLW regelt de mogelijkheid van inbeslagname van voorwerpen die in het bezit van de opgeëiste persoon worden aangetroffen, op verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het gaat daarbij volgens de wetgever om voorwerpen ‘die als bewijsstuk kunnen dienen’ of ‘van het strafbare feit afkomstig zijn’ (NV II, Kamerstukken II 2003/04, 29042, 12, p. 36).
Artikel 50, tweede lid, OLW bepaalt dat het voor afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moet gaan om voorwerpen die de strafvordering in de uitvaardigende lidstaat kunnen dienen.
Bij de opgeëiste persoon zijn bij de aanhouding de goederen opgenomen in de ‘Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen ex artikel 49 OLW’ in beslag genomen. Omdat deze inbeslaggenomen goederen kunnen dienen als bewijs of de strafvordering in de uitvaardigende staat kunnen dienen, acht de rechtbank het verzoek van de officier van justitie voldoende onderbouwd.
Gelet op het voorgaande, wijst de rechtbank het verzoek tot overdracht aan de Spaanse autoriteiten van de inbeslaggenomen goederen toe.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Magistrate-Judge of the Instruction Court No. 2 of Marbella heeft bij uitspraak van 13 februari 2025 de volgende beslissingen genomen:
“The judicial authority takes the obligation and authorizes the return of the arrested [opgeëiste persoon] , born [geboortedag] /2000 and of DUTCH nationality, to its country of origin, in case he would be condemned by the competent Spanish Court or Tribunal of a penalty or measure depriving him of his freedom.”
(…)
Notify this judgment to the PUBLIC PROSECUTOR and all other parties involved, informing that this resolution is not a final one, and against it, can be recurred in writing presenting in this court, in a period of three days, or it can be appealed in a period of five days.”
In de tussenuitspraak van 6 maart 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat bovengenoemde terugkeergarantie niet onvoorwaardelijk is nu hierin staat vermeld dat verschillende belanghebbende partijen in beroep kunnen gaan tegen de verleende terugkeergarantie en de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen of deze partijen van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting heropend en geschorst en de officier van justitie in de gelegenheid gesteld de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële
autoriteit en/of de autoriteit die de voormelde garantie heeft uitgevaardigd, voor te leggen.
- Kunt u aangeven of beroep is ingesteld tegen de uitspraak van 13 februari 2025 van de Magistrate-Judge of the Instruction Court No.
Beoordeling
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde terugkeergarantie, in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 10 maart 2025 van de autoriteit die voormelde garantie heeft uitgevaardigd, onvoorwaardelijk. In de aanvullende informatie staat namelijk vermeld dat geen hoger beroep is ingesteld tegen de verleende terugkeergarantie zodat deze definitief is geworden.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
Hieruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6, 7, 49 en 50 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Instruction Court number 3 of Marbella (Spanje) voor de feiten, zoals zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, zoals nader omschreven op de als bijlage I aan deze uitspraak gevoegde lijst van inbeslaggenomen goederen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. M. Westerman en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 maart 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2025:1677