Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:2897
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,611 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/4449, 24/4511, 24/4512, 24/4513, 24/4514
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
Procesverloop
Met de besluiten van 5 april 2024, 10 april 2024, 27 april 2024 en 30 april 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiser vijf naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd.
Met de uitspraak op bezwaar van 21 mei 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2025. Eiser is verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [heffingsambtenaar]
Overwegingen
1. Op 28 maart 2024, 3 april 2024, 4 april 2024, 23 april 2024 en 24 april 2024 stond de auto van eiser, met kenteken [kentekennummer] stil in een parkeervak ter hoogte van respectievelijk [adres 1] , [adres 2] , [adres 1] , [adres 3] en [adres 4] te Amsterdam. Een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam heeft geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Vervolgens zijn de naheffingsaanslagen opgelegd.
2. Eiser stelt dat hij beschikt over een bewonersvergunning. Deze vergunning is actief en betaald tot 31 augustus 2024. Eiser legt verder uit dat hij op 14 maart 2024 is verhuisd van de [adres 5] naar de [adres 6] in [woonplaats] . Hij was in de veronderstelling dat zijn vergunning nog 1,5 maand geldig zou zijn op het nieuwe adres. Op de website van de gemeente Amsterdam stond namelijk dat je je oude vergunning nog tijdelijk kon laten doorlopen tot het einde van de maand ná de verhuismaand. Eiser voert aan dat wanneer hij het adres [adres 5] in [woonplaats] opzoekt op de website van de gemeente Amsterdam er staat benoemd dat met een parkeervergunning voor [zone 1] mag worden geparkeerd in [zone 3] . Ook heeft hij de bewonersvergunning van de [adres 3] opgezocht en zag het enorme gebied waar je kon parkeren in [stadsdeel] . Hij was daarom in de veronderstelling dat [zone 2] ook onder zijn huidige vergunning viel. Eiser benadrukt dat het erg verwarrend is. Voor zover de heffingsambtenaar aangeeft al een keer eerder coulance te hebben verleend en dat daarom nu niet te doen, meent eiser dat dat ging om een andere situatie.
3. De heffingsambtenaar voert aan dat eiser ten tijde van de controles beschikte over een parkeervergunning voor het gebied [zone 3] . De auto van eiser stond geparkeerd in het gebied [zone 2] . Op de website van de gemeente Amsterdam staat over het door laten lopen van een oude parkeervergunning dat een oude vergunning en een nieuwe vergunning voor het nieuwe adres tijdelijk tegelijkertijd van kracht kunnen zijn. Dit is een uitzondering op de regel dat een vergunningshouder slechts over één bewonersvergunning kan beschikken. Dit betekent dus niet dat de oude vergunning van kracht is voor het nieuwe adres. De heffingsambtenaar stelt dat aan het parkeren met een vergunning voorwaarden zijn verbonden. Wanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd, bestaat er geen geldig parkeerrecht. Eiser heeft de voorwaarden van de vergunning niet op de juiste manier nageleefd, aangezien de vergunning niet van kracht was op de door hem gebruikte parkeerlocaties. Derhalve zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd. Ter informatie aan eiser geeft de heffingsambtenaar mee dat coulance slechts eenmaal wordt verleend ongeacht de situatie.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat hij op de datum, tijd en locatie die in de naheffingsaanslagen zijn vermeld geparkeerd stond. Verder betwist eiser niet dat hij geen parkeerbelasting heeft betaald.
5. De rechtbank overweegt dat geen parkeerbelasting hoeft te worden betaald als daarvoor een vergunning is verleend en wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de parkeervergunning is verleend. Voorwaarden zijn dat de parkeervergunning alleen geldig is voor het daartoe aangewezen vergunningsgebied.
6. De parkeervergunning van eiser is alleen geldig in het vergunninggebied [zone 3] . Eiser stond geparkeerd in vergunninggebied [zone 2] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dus geparkeerd in een gebied waar zijn parkeervergunning niet geldig is. Daarom had hij bij aanvang van het parkeren parkeergeld moeten betalen. Omdat hij dit niet gedaan heeft is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Dat eiser de tekst op de website van de gemeente Amsterdam anders heeft geïnterpreteerd, komt voor zijn rekening en risico.
7. Eiser heeft op zitting nog aangevoerd dat sprake is van een motiveringsgebrek, omdat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar niet op al zijn bezwaargronden heeft gereageerd. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bezwaarschrift twee bezwaargronden naar voren brengt, namelijk over het vergunninggebied en over coulance. Op beide bezwaargronden is door de heffingsambtenaar gereageerd in de uitspraak op bezwaar. Daarom is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een motiveringsgebrek.
8. Ter zitting heeft eiser nog laten weten dat hij erg veel griffierecht heeft moeten betalen. De rechtbank heeft voor eiser nagezocht dat hij in deze vijf zaken maar een keer griffierecht heeft betaald.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk heeft.
10. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.