Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-02
ECLI:NL:RBAMS:2025:2843
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,857 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/6008
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen
[eisers], uit Amsterdam, eisers
(gemachtigde: mr. T.A. Vetter),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Schuttenhelm)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun urgentieaanvraag.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 september 2023 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 3 oktober 2024 behandeld op een zitting van de enkelvoudige kamer. Op 21 oktober 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat de zaak opnieuw op zitting gepland zal worden voor behandeling door de meervoudige kamer.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres en haar gemachtigde en gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers hebben een urgentieverklaring voor een sociale huurwoning aangevraagd wegens ernstige medische en psychische problemen die volgens hen worden verergerd door hun woonsituatie. Eisers hebben twee kinderen, [kind 1] (geboren [geboortedatum 1] 2017) en [kind 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2020). Beide kinderen hebben een ernstige erfelijke botafwijking waardoor zij regelmatig operaties moeten ondergaan. Zij zijn na een operatie tijdelijk rolstoel gebonden. [kind 1] heeft een gehandicaptenparkeerkaart gekregen omdat hij niet meer dan 100 meter kan lopen. Daarnaast heeft [kind 1] autisme en gedragsproblemen. [kind 1] zit op het speciaal onderwijs en [kind 2] zit op het speciaal basisonderwijs. Eisers wonen met hun kinderen in een tweekamerwoning van 61m2 op de derde verdieping met één slaapkamer. De kinderen slapen door het gebrek aan ruimte in een stapelbed in dezelfde kamer als hun ouders. Door de pijn kan [kind 1] niet zelf in het stapelbed klimmen. Eisers moeten daarom [kind 1] in het bovenste bed tillen, wat te zwaar voor hen wordt. Ook is de lift in hun gebouw vaak stuk, waardoor eisers de kinderen vaak de trap op moeten tillen, wat ook te zwaar wordt. Vader heeft door de situatie last van psychische klachten, waarvoor hij bij een psychiater in behandeling is.
3. Verweerder heeft twee algemene afwijzingsgronden aan de afwijzing ten grondslag gelegd. De eerste afwijzingsgrond is dat eisers schulden hebben die niet zijn geregeld. De tweede afwijzingsgrond is dat eisers een gezin hebben gesticht zonder te beschikken over (passende) woonruimte.
Het standpunt van eisers
4. Eisers stellen dat er ten onrechte algemene weigeringsgronden aan hen zijn tegengeworpen. Gezien de onderliggende problemen had verweerder een medisch onderzoek moeten laten uitvoeren. Verder doen eiseres een beroep op de hardheidsclausule. Door de woonsituatie zijn de medische problemen van de kinderen onhoudbaar en heeft vader ook psychische klachten ontwikkeld. Eisers doen ook een beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Zij stellen dat de belangen van de kinderen niet kenbaar zijn betrokken bij de besluitvorming en dat het besluit niet evenredig is.
Juridisch kader
5. De onderliggende wet- en regelgeving is als bijlage bij de uitspraak opgenomen.
Beoordeling
6. Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Huisvestingsverordening worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. De systematiek van de Huisvestingsverordening brengt met zich mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond uit artikel 2.6.5 van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Verweerder toetst dan de aanvraag daarom niet meer aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, zoals ook medische urgentie.
Algemene weigeringsgronden
7. De eerste algemene afwijzingsgrond die aan de afwijzing ten grondslag is gelegd is dat eisers schulden hebben die niet zijn geregeld. Uit de Huisvestingsverordening en de Nadere regels volgt dat de aanvraag wordt geweigerd indien de aanvrager niet in staat is om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien. Dat is het geval indien er sprake is van schulden die niet zijn geregeld. Verweerder verbindt hieraan de voorwaarde dat de schulden zijn gesaneerd of dat hier een start mee is gemaakt door middel van onder andere een aanmelding bij de GKA of de WNSP als waarborg voor langdurige financiële stabiliteit van de aanvrager van de urgentie. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat dit de belangrijkste afwijzingsgrond is. Verweerder heeft verder in algemene zin toegelicht dat de tweede afwijzingsgrond in het geval van zeer ernstige medische problematiek niet houdbaar is als zelfstandige afwijzingsgrond.
8. Niet is geschil is dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden uit de Nadere regels voor aanvragers met schulden. Eisers hebben een schuld van €44.000,00 (ten tijde van het bestreden besluit). Er is (nog) geen plan van aanpak overlegd en evenmin is sprake van aanmelding bij de GKA of de WNSP. Eisers vinden dit beleid echter te streng en stellen daarnaast dat verweerder in hun geval van dit beleid af had moeten wijken, omdat de schulden in kaart zijn gebracht, eisers een inkomen uit een bijstandsuitkering ontvangen en zij onder bewind staan. Hiermee is er sprake van een (voldoende) stabiele financiële situatie, waardoor eisers in de kosten van een woning kunnen voorzien.
9. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat dat de aanmelding van de schulden bij de GKA of de WNSP pas maakt dat dat de schuldenlast definitief is geregeld, of althans dat daarmee een begin is gemaakt, zodat de schulden niet kunnen oplopen of schuldeisers andere voorwaarden kunnen stellen aan de aflossing. Dit maakt dat urgentiezoekers met schulden hun woning ook in de toekomst naar verwachting kunnen blijven betalen. De rechtbank is van oordeel dat dit beleid niet onredelijk is en ziet ook geen aanleiding om te oordelen dat er sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat verweerder gehouden is om in het geval van eisers van deze voorwaarden af te wijken op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. De omstandigheid dat eisers bijstand ontvangen en onder bewind staan maakt dat de financiële huishouding aan de kant van eisers is geregeld. Echter, omdat er met de schuldeisers geen (minnelijke) regeling is getroffen, is die kant (nog) niet geregeld.
10. Uit het voorgaande volgt dat verweerder deze afwijzingsgrond aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank zal de toetsing aan de tweede afwijzingsgrond daarom niet beoordelen.
11. Omdat een algemene weigeringsgrond van toepassing is, hoefde verweerder verder niet te beoordelen of een urgentieverklaring om medische (of sociale) redenen kon worden verleend.
12. Voor zover eisers stellen dat dat de woning ongeschikt is voor een rolstoel en dat de lift bovendien stuk is, heeft verweerder op de zitting nog toegelicht dat een traject via de wet maatschappelijke ondersteuning de aangewezen weg is om in aanmerking te komen voor een rolstoeltoegankelijke woning en dat eisers zich voor wat betreft de lift kunnen wenden tot de verhuurder. De rechtbank volgt dit.
Hardheidsclausule
13. Als algemene weigeringsgronden van toepassing zijn, kan onder omstandigheden toch urgentie worden verleend, op grond van de hardheidsclausule. Het uitgangspunt is dat alleen in zeer uitzonderlijke situaties aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule, gelet op het grote tekort aan sociale huurwoningen en het belang van een rechtvaardige verdeling van de beschikbare woonruimte. Volgens het beleid moet onder een schrijnende situatie bij medische problematiek worden verstaan dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem waarvoor een urgentieverklaring noodzakelijk is. Het is in beginsel aan de aanvrager om aan te tonen dat deze problematiek van een dusdanige aard is dat verweerder op grond daarvan de aanvrager, boven alle andere woningzoekenden, voorrang moet verlenen. Daarbij wordt in het geval van een medische aanvraag als eis gesteld dat dit moet blijken uit een verklaring van een medisch specialist. Indien de overgelegde stukken daartoe aanleiding geven, kan verweerder onder omstandigheden gehouden zijn om medisch advies in te winnen.
14. Eisers stellen dat de medische problematiek van de kinderen zodanig ernstig is dat verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen. Naast de medische problematiek van de kinderen heeft eiser zelf ook psychische klachten waarvoor hij in behandeling is. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat met name [kind 1] een eigen kamer nodig heeft wegens zijn gedragsproblemen. De rechtbank stelt vast dat eisers diverse stukken hebben ingebracht, onder meer ter onderbouwing van de botziekte van beide jongens, de autisme en gedragsproblemen van [kind 1] en de psychische klachten van vader, maar dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem op basis waarvan verweerder gehouden was een onderzoek te starten. De rechtbank onderkent dat er sprake is van spanning en stress in het gezin, maar dat is onvoldoende levensbedreigend en acuut. Verweerder heeft bovendien op de zitting toegelicht dat de woning met 61m2 in overeenstemming is met de gemiddeld aangewezen woonoppervlakte voor een gezin. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat voor zover een woning voldoende oppervlakte heeft maar onvoldoende kamers, het woonprobleem in beginsel moet worden opgelost door de woning anders in te delen.
15. De rechtbank oordeelt daarom dat de gemeente in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat de hardheidsclausule in de situatie van eisers niet toegepast hoefde te worden.
Belang van de kinderen en evenredigheid
16. Eisers stellen met een beroep op artikel 3 van het IRVK dat het belang van [kind 1] en [kind 2] niet (kenbaar) zijn meegewogen bij de besluitvorming. Zij stellen dat het besluit hierom niet evenredig is.
17. De rechtbank stelt voorop dat ieder kind op grond van het IRVK het recht heeft op een toereikende levensstandaard. Dit recht omvat tevens het recht op adequate huisvesting. Het IVRK heeft in zoverre rechtstreekse werking dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. De bestuursrechter moet in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
18. De rechtbank heeft vastgesteld dat de uit de door eisers overgelegde stukken, onder meer de brief van 14 november 2024 van de orthopedisch chirurg [naam 1] , volgt dat er sprake is van een ernstige botafwijking bij beide kinderen. Verder blijkt uit de verklaring van 1 december 2023 van drs. [naam 2] , kinder- en jeugdpsychiater van de [instelling] , dat er bij [kind 1] sprake is van een “reeds vastgestelde autismespectrumstoornis”.
Conclusie
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers een gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, voorzitter en mrs. L.H. Waller en J.A.C.M. Nielen, leden, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Wet- en regelgeving
Huisvestingswet, Huisvestingsverordening 2020 (HVV), zoals deze gold ten tijde van de aanvraag (versie16 januari 2023) en het bestreden besluit en de Nadere regels Hoofdstuk 1 'urgenties' paragraaf 3 en 24 HVV (versie 16 januari 2023).
HVV:
- Artikel 2.10.5 lid 1 onder c: het huisvestingsprobleem was redelijkerwijs op te lossen ofte
voorkomen;
- Artikel 2.10.5 ।id 1 onder h: de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien;
- Artikel 2.10.11: hardheidsclausule.
Nadere regels:
- paragraaf 3 ad c punt 2: een gezin heeft gesticht of gaat stichten zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken;
- paragraaf 3 ad h punt 2: schulden heeft die niet zijn geregeld zoals is beschreven in artikel 4 'Schulden; aanvullende voorwaarden';
- paragraaf 4: schulden;
- paragraaf 10.1 en 10.2 urgentiecategorie medisch en sociale redenen (artikel 2.10.8 lid 1b): aan artikel 2.10.8 wordt niet getoetst als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5;
- paragraaf 24: hardheidsclausule: geen acuut levensbedreigend probleem.
Artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb):
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 2.10.5 lid 1 onder h van de HVV met aanvulling van paragraaf 3 en 4 van de Nadere regels.
Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam.
Wet schuldsanering natuurlijke personen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2713.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1135.
Artikel 27 IRVK
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4128.