Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-02
ECLI:NL:RBAMS:2025:2775
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,642 tokens
Inleiding
RECHTBANK [woonplaats]
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1512
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Halouchi),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Kok).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], uit Heerlen, de voormalig werkgever
(gemachtigde: mr. F. Bovenberg).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een WIA-uitkering per 1 september 2022.
Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 23 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2025. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De voormalig werkgever van eiser was – zonder voorafgaand bericht – niet aanwezig.
Feiten
1. Eiser heeft zich op 3 september 2020 vanwege lichamelijke klachten ziekgemeld van zijn werk als medewerker algemeen schoonmaakonderhoud (ziekenhuis). Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiser op 9 juni 2022 een WIA-uitkering aangevraagd.
2. Met het primaire besluit van 23 februari 2023 heeft verweerder aan eiser laten weten dat hij per 1 september 2022 (de datum in geding) geen WIA-uitkering kan krijgen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Verweerder acht eiser namelijk voor 9,04% arbeidsongeschikt. Verweerder heeft aan dit besluit de rapportage van de verzekeringsarts van 9 januari 2023 en de rapportage van de arbeidsdeskundige van 22 februari 2023 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van eiser neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 januari 2023.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser gewijzigd vastgesteld op 0%. Omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage nog steeds minder dan 35% is, krijgt eiser geen WIA-uitkering. Verweerder heeft aan dit besluit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 januari 2024 en de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 januari 2024 ten grondslag gelegd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er geen argumenten om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft enkele functies laten vervallen en de mate van arbeidsongeschiktheid vervolgens aan de hand van nieuwe functies opnieuw vastgesteld.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 1 september 2022 (de datum in geding) niet te laag heeft vastgesteld. Daartoe moet de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen of verweerder de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de geselecteerde functies te verrichten.
5. Op de zitting is besproken dat de situatie van eiser inmiddels anders is dan op de datum in geding. Zo heeft eiser hulp gezocht voor zijn psychische klachten en gaat het met hem beter. Inmiddels werkt hij vanaf november 2024 voor ongeveer 24 uur per week als taxichauffeur voor onder meer gehandicapte mensen. Het is bewonderenswaardig dat eiser – ondanks de (andere) klachten die hij nog steeds ervaart – bezig is zich verder te ontwikkelen en aan het werk te blijven. Het lukt eiser vanwege zijn klachten nog niet om voltijds te werken, maar hij heeft (grote) stappen gezet en doet waardevol werk voor zover dat binnen zijn mogelijkheden valt. Eiser vindt echter dat verweerder hem vanaf 1 september 2022 een WIA-uitkering had moeten toekennen. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of verweerder de medische situatie van eiser op de datum in geding (1 september 2022) niet heeft onderschat.
6. Daarbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat verweerder in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen van een verzekeringsarts. Dat kan anders zijn in het geval de betrokkene aannemelijk maakt dat dit rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsequenties bevat of onvoldoende is gemotiveerd.
De medische grondslag van het bestreden besluit
7. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Eiser is door de primaire verzekeringsarts op het fysieke spreekuur van 2 januari 2023 psychisch en lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts heeft alle medische informatie van onder meer de orthopedisch chirurg bij de beoordeling betrokken. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier van eiser bestudeerd en eiser lichamelijk en psychisch onderzocht op een spreekuur van 16 januari 2024. Op 17 januari 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de gemachtigde van eiser telefonisch gesproken. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet alle medische informatie in het onderzoek heeft betrokken, die betrekking heeft op de datum in geding. Eiser voert nog aan dat geen contact is opgenomen met zijn psycholoog of psychiater, maar zoals op de zitting ook is besproken, was eiser rond de datum in geding niet onder behandeling van een psycholoog of psychiater. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij op de datum in geding psychisch meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts blijkens de FML van 9 januari 2023 beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van werkzaamheden met deadlines en productiepieken en het omgaan met conflicten. Volgens de verzekeringsarts is het plausibel dat sprake is geweest van een nare ervaring en eiser daar sombere gevoelens en spanningsklachten aan over heeft gehouden. Eiser heeft in beroep een verklaring overgelegd van de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg van de huisarts van eiser van 7 juni 2024, de heer [naam] . [naam] is niet een psycholoog of psychiater. Hij heeft eiser vanaf de aanmelding in maart 2023 een onbekend aantal keer gezien. De verzekeringsarts heeft in reactie op deze verklaring laten weten dat behandeling bij een praktijkondersteuner gebruikelijk is als sprake is van laagdrempelige en milde psychische of psychosociale problematiek. Dit beeld wordt bevestigd door het psychisch oriënterend onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zelf, waarbij geen ernstige psychopathologie en/of cognitieve stoornissen werden waargenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet daarom geen aanleiding om aanvullende beperkingen aan te nemen. De brief van de praktijkondersteuner doet de rechtbank niet twijfelen aan deze bevindingen van de verzekeringsartsen. De praktijkondersteuner beschrijft in algemene bewoordingen dat volgens hem sprake was van klachten die wezen op PTSS en/of depressie en vermoedelijk paniekklachten, zonder dat duidelijk wordt vanaf wanneer sprake was van welke klachten en met welke ernst. Uit deze brief blijkt dus niet dat er op de datum in geding sprake is van meer dan een laagdrempelige en milde psychische problematiek. De rechtbank acht de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om niet meer beperkingen aan te nemen dus navolgbaar.
9. De rechtbank heeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen twijfel over de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de FML van 9 januari 2023.
De arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de inzichtelijke arbeidsdeskundige onderbouwing bij de selectie van de functies aan de hand van alle beschikbare medische informatie, voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de vastgestelde medische belastbaarheid van eiser in de FML van 9 januari 2023 niet overschrijdt. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende onderbouwd waarom de geduide functies geschikt zijn voor eiser. Het standpunt van eiser dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, is gebaseerd op zijn opvatting dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geconcludeerd, is voor die opvatting geen steun gevonden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verder toegelicht dat in de geduide functies geen sprake is van deadlines en/of productiepieken. Eiser heeft daarnaast geen beperking ten aanzien van concentratie of het verdelen van aandacht waardoor bij het selecteren van de functies daarmee geen rekening hoeft te worden gehouden. De geselecteerde functies mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt; verweerder heeft met juistheid aan eiser geen WIA-uitkering toegekend per 1 september 2022, omdat hij op dat moment minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
12. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Voor een veroordeling de proceskosten bestaat bij deze uitkomst ook geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Zaagsma, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.