Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-02
ECLI:NL:RBAMS:2025:2748
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,703 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6592
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),
en
de Raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om schadevergoeding van eiser. Eiser had hierom verzocht, omdat hij als gevolg van een besluit van de Svb onnodig een dubbele ziektekostenverzekering heeft afgesloten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de rechtbank onbevoegd is, omdat het verzoek niet ziet op een schadeoorzaak waar de bestuursrechter over mag oordelen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 14 maart 2024 het verzoek tot schadevergoeding bij de Svb ingediend. Op 10 mei 2024 heeft de Svb dit verzoek afgewezen, omdat de schade niet het gevolg is van handelen of nalaten door de Svb.
2.1.
Eiser heeft een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank. De Svb heeft op het verzoekschrift gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het verzoekschrift op 21 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Als gevolg van een administratieve omissie bij de Svb is namens de Svb niemand verschenen.
Voorgeschiedenis
3. Met het besluit van 5 december 2022 heeft de Svb vastgesteld dat eiser vanaf 23 februari 2018 niet langer verzekerd is voor de Wet langdurige zorg (Wlz), maar dat eiser onderworpen is aan het sociale stelsel van Duitsland. In het besluit staat ook dat als eiser niet verzekerd is in Duitsland, hem wordt aangeraden om een internationale zorgverzekering af te sluiten.
3.1.
Eiser heeft vervolgens de Svb verzocht om een zogenoemde artikel 16-overeenkomst met Duitsland te sluiten. Op grond van artikel 16, eerste lid Verordening (EG) nr. 883/2004 kunnen twee of meer lidstaten in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen een overeenkomst afsluiten op grond waarvan - in afwijking van de reguliere aanwijsregels - de wetgeving van een andere lidstaat wordt aangewezen. In deze zaak zag het verzoek op het alsnog met terugwerkende kracht aanwijzen van de Nederlandse wetgeving. Op 28 april 2023 is de Svb akkoord gegaan met het verzoek. De Svb heeft de DVKA (zeg maar, de Duitse Svb) gevraagd om ook akkoord te gaan. De DVKA is op 24 oktober 2023 akkoord gegaan.
3.2.
Met het besluit van 12 december 2023 heeft de Svb het besluit van 5 december 2022 ingetrokken en bepaald dat eiser in de periode van 2 maart 2015 tot en met 30 november 2022 alsnog onder de Nederlandse wetgeving valt.
Beoordeling
4. Eiser betoogt dat hij schade heeft geleden, als gevolg van het besluit van de Svb van 5 december 2022. Eiser heeft namelijk een internationale zorgverzekering afgesloten, in lijn met het advies van de Svb, maar dit was achteraf niet nodig geweest. Omdat dit besluit met het besluit van 12 december 2023 is ingetrokken, is daarmee de onrechtmatigheid gegeven. De schade bestaat uit het afsluiten van de ziektekostenverzekering over de periode januari 2023 tot en met februari 2024 (€ 2.727,25), het betalen van ziektekosten omdat hij niet verzekerd was gedurende een bepaalde periode (€ 136,29) en een rekening van de Duitse verzekeraar die niet door de Nederlandse verzekeraar is vergoed (€ 113,08).
4.1.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een ander onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.
4.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat met de intrekking van het besluit van 5 december 2022 is gegeven dat het besluit onrechtmatig was. Daarvoor is eerst van belang dat de Svb de onrechtmatigheid van het besluit niet heeft erkend. Daarnaast is van belang dat het besluit is ingetrokken vanwege gewijzigde omstandigheden. Met het sluiten van een artikel 16-overeenkomst met Duitsland is een afwijking van de aanwijsregels overeengekomen. Deze overeenkomst heeft ertoe geleid dat eiser alsnog met terugwerkende kracht verzekerd was. Dit had de Svb niet eerder kunnen onderkennen, omdat een artikel 16-overeenkomst alleen op verzoek van de betrokkene gestart kan worden. Op het moment dat het besluit van 5 december 2022 werd genomen, had eiser zo’n verzoek nog niet ingediend. Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van de rechtbank niet geoordeeld worden dat het besluit van 5 december 2022 onrechtmatig was.
4.3.
Nu geen sprake is van een onrechtmatig besluit, concludeert de rechtbank dat aan het verzoek om schadevergoeding een in artikel 8:88 van de Awb genoemde oorzaak ontbreekt.
Conclusie
5. De rechtbank is onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet behandelen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.