Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-29
ECLI:NL:RBAMS:2025:2746
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,933 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6420
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] (Duitsland), eiseres
(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
( [gemachtigde verweerder] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding van eiseres. Eiseres stelt hier recht op te hebben, omdat zij door onrechtmatige besluitvorming zowel materiële als immateriële schade heeft geleden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen recht heeft op een schadevergoeding. De door eiseres gestelde materiële schade komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat er geen causaal verband is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde geleden schade. Ook heeft eiseres geen recht op een immateriële schadevergoeding, omdat het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld en ook niet onderbouwd is dat sprake is van een aantasting in eiseres’ persoon op andere wijze. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 9 september 2022 het verzoek om schadevergoeding bij het Uwv ingediend. Op 17 november 2022 heeft het Uwv het verzoek afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank. Het Uwv heeft op het verzoekschrift gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het verzoek op 21 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.
Voorgeschiedenis
3. Met het besluit van 25 maart 2020 heeft het Uwv bepaald dat eiseres 19,77% arbeidsongeschikt is en om die reden is de WIA-uitkering van eiseres per 23 juli 2021 beëindigd. In de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2020 werd het bezwaar ongegrond verklaard. Met een nieuwe beslissing op bezwaar van 25 februari 2021 nam het Uwv een nieuw standpunt in en bepaald dat eiseres een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100% wordt toegekend.
3.1.
Niet in geschil is dat de besluiten van 25 maart 2020 en 14 oktober 2020 onrechtmatig waren.
Beoordeling
Materiële schade
4. Eiseres voert aan dat zij materiële schade heeft geleden als gevolg van besluitvorming van het Uwv. De schade bestaat uit de kosten van ziekenhuisopnames, ambulante behandeling en consulten bij gynaecologie, psychiatrie, psychotherapie en fysiotherapie. Uit de door haar overgelegde medische stukken volgt volgens eiseres dat deze kosten gemaakt moesten worden als gevolg van de besluitvorming van het Uwv. Eiseres leed al aan psychische klachten, waardoor zij ook arbeidsongeschikt is geworden, maar deze klachten zijn door de besluitvorming verergerd. Eiseres kwam niet toe aan de behandeling van haar bestaande klachten, vanwege de situatie met het Uwv. Dat speelde steeds op de voorgrond. Vanwege de sterke toename van psychische en later psychiatrische klachten, heeft eiseres meer behandelingen dan aanvankelijk werd gedacht moeten ondergaan en is zij opgenomen geweest. Verder zijn haar lichamelijke klachten toegenomen, waarvoor zij ook verschillende behandelingen heeft moeten ondergaan. Door haar klachten kon eiseres ook niet meer goed voor haar kinderen zorgen. Zij heeft daarom ook een traject met haar kinderen moeten volgen. Eiseres betoogt tot slot dat een verzekeringsarts haar situatie had moeten beoordelen.
4.1.
Het Uwv erkent de psychische klachten en de verergering van eiseres’ klachten, maar stelt zich op het standpunt dat uit de medische stukken niet blijkt dat eiseres als gevolg van het handelen van het Uwv een medische behandeling heeft moeten ondergaan. Er is daarom geen causaal verband tussen de gemaakte medische kosten en de onrechtmatige besluitvorming van het Uwv.
4.2.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
4.3
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige besluiten en de gestelde schade. Eiseres had al psychische klachten en het is voorstelbaar dat de onrechtmatige besluiten, gelet op haar kwetsbare situatie, impact op haar hebben gehad. Echter, op basis van de overgelegde medische stukken ziet de rechtbank geen steun voor eiseres’ standpunt dat het moeten ondergaan van medische behandelingen het gevolg is van de besluitvorming van het Uwv. Eiseres’ psycholoog schrijft wel dat eiseres onder andere overbelast is door herhaaldelijk contact met autoriteiten, maar dit is onvoldoende om een verband aan te kunnen nemen. De materiële schade komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
Immateriële schade
5. Eiseres voert ook aan dat zij als gevolg van de besluitvorming immateriële schade heeft geleden. Er is een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer en er is sprake van aantasting van de persoon. Eiseres heeft geestelijke schade geleden, wat meer is dan een sterk psychisch onbehagen en het zich gekwetst voelen, zoals het Uwv stelt. Eiseres wijst erop dat als gevolg van de besluitvorming van het Uwv haar psychische en psychiatrische klachten zijn toegenomen, dat zij in financiële onzekerheid heeft verkeerd en dat de besluitvorming negatieve gevolgen heeft gehad op haar gezinssituatie.
5.1.
Het Uwv herhaalt dat nergens uit blijkt dat eiseres zich als gevolg van de handelwijze van het Uwv zich onder medische behandeling heeft moeten stellen. Eiseres heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat zij zodanig psychisch geleden heeft dat sprake is van geestelijk letsel. Ook is er geen sprake van aantasting van de persoon ‘op andere wijze als wegens medisch letsel’. De WIA-uitkering is altijd blijven doorlopen. Het is daarom niet aannemelijk dat zij andere financiële keuzes heeft moeten maken.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
5.3.
Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat ook de door eiseres verzochte immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.3 overweegt de rechtbank daartoe dat eiseres niet met concrete gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat bij haar sprake is van geestelijk letsel als gevolg van de besluitvorming. De door eiseres genoemde onzekerheid en stress die deze procedure heeft meegebracht, is daarvoor onvoldoende. Verder is in dit geval geen sprake van een zodanige normschending door de besluitvorming van het Uwv dat op grond daarvan een aantasting in de persoon moet worden aangenomen. Eiseres heeft weliswaar in de periode van 25 maart 2020 tot 25 februari 2021 in onzekerheid verkeerd over haar uitkering, maar haar uitkering is in die periode doorbetaald. Ze heeft het dus nooit zonder uitkering hoeven stellen. De onzekerheid over haar uitkering is daarom onvoldoende om een aantasting in de persoon aan te kunnen nemen.
Conclusie
6. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:206.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:206.