Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:272
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,434 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/303232-24
Datum uitspraak: 10 januari 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting]
1Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 27 december 2024. Verdachte was hierbij aanwezig.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E.W. Stein, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.A. Monster, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is mevrouw [deskundige], reclasseringswerker, als deskundige gehoord.
2Beschuldiging
Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich op 21 september 2024 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan winkeldiefstal bij de Albert Heijn.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen op grond van onder andere de bekennende verklaring van verdachte.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige inhoud van het dossier acht de rechtbank bewezen dat verdachte de tenlastegelegde winkeldiefstal heeft gepleegd.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 21 september 2024 te Amsterdam, vier potten honing en zes potten pannenkoekensiroop (Maple Joe) en een pak radijs (met een totale waarde van 65,49 euro), die aan winkelbedrijf Albert Heijn (gelegen aan de [adres] ) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5Strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
7Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaren zonder aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw verzoekt primair om de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm aan verdachte op te leggen, zodat verdachte zelfstandig kan terugkeren naar Polen.
Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de ISD-maatregel op te leggen voor maximaal één jaar en daarbij te bepalen dat na zes maanden een tussentijdse toets plaatsvindt. Daarbij verzoekt de raadsvrouw om de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht af te trekken van de duur van de ISD-maatregel.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals op zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dit is een hinderlijk feit dat in de maatschappij in het algemeen, en bij de betreffende winkel in het bijzonder, overlast en schade veroorzaakt. Verdachte verblijft illegaal in Nederland, leeft een dakloos bestaan en heeft geen inkomen, waardoor hij vermogensdelicten pleegt om in zijn levensbehoeften te kunnen voorzien. Dat is zorgelijk en vereist een concrete en ingrijpende aanpak om dit gedrag in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 18 december 2024 en heeft gezien dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor winkeldiefstallen.
Rapportage
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van GGZ Reclassering Inforsa van 13 december 2024, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker]. De reclassering heeft – kort samengevat – het volgende gerapporteerd. Verdachte komt oorspronkelijk uit Polen en heeft geen verblijfsrecht in Nederland. Verdachte leidt een dakloos bestaan waarbij het hem ontbreekt aan een inkomen of structurele dagbesteding. Er is sprake van ernstige verslavingsproblematiek. Verdachte pleegt vermogensdelicten om zichzelf te voorzien van een inkomen waarmee hij zijn middelengebruik kan bekostigen. Het risico op recidive wordt dan ook ingeschat als hoog. Interventies zijn geïndiceerd om het risico op recidive te verlagen.
Het opstarten van verslavingszorg in Nederland is niet mogelijk omdat er sprake is van een taalbarrière, waardoor een inhoudelijke behandeling niet van de grond kan komen. Verder ontbreekt het verdachte aan een zorgverzekering en financiële tegoeden om zich vrijwillig aan te melden voor verslavingsbehandeling. Tot slot worden EU-onderdanen zonder verblijfsrecht, niet geaccepteerd door behandel- en begeleid wonen instellingen, omdat er geen nazorg kan worden verleend.
Een reclasseringstraject is niet uitvoerbaar. De reclassering adviseert dan ook oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en vreemdelingen in het strafrecht (hierna: de ISD VRIS-maatregel), met interventies gericht op repatriëring. Dit biedt voor verdachte het meest reële toekomstperspectief en de meest reële kans op het terugdringen van recidive. In het kader van de ISD VRIS-maatregel kan verdachte niet recidiveren en kunnen de interventies voor hem worden georganiseerd in Polen, mits hij hieraan meewerkt.
De deskundige, [deskundige], heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld. De wens van verdachte om terug te keren naar Polen heeft de meeste kans van slagen binnen de ISD VRIS-maatregel, omdat papierwerk en administratie wordt geregeld en gecontroleerd. Het traject zorgt voor een zachte landing in Polen.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mrs. I. Timmermans en R. Gaarthuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. Ketelaers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 januari 2025.
[...]
[...]
Inleiding
Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde rapport en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting dat vanwege de verblijfstatus van verdachte een drangkader door middel van een reclasseringstoezicht geen optie is. Verdachte heeft geen recht op sociale voorzieningen en er kan om deze reden geen invulling worden gegeven aan een reclasseringstoezicht.
In het licht van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. Daarbij speelt dat de ISD VRIS-maatregel, vanwege de verblijfstatus van verdachte, feitelijk de enige mogelijkheid is om verdachte hulpverlening aan te bieden. Verdachte heeft onder andere vanwege zijn verslavingsproblematiek hulp en begeleiding nodig. In het kader van de ISD VRIS-maatregel kunnen dergelijke interventies voor verdachte worden georganiseerd in Polen. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie toewijzen en een ISD-maatregel opleggen.
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht om de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm aan verdachte op te leggen, zodat verdachte zelfstandig kan terugkeren naar Polen. De rechtbank vindt dit geen reële optie. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij op dit moment over slechts vijfenveertig euro beschikt. Met dit bedrag kan verdachte de reis naar Polen niet betalen, waardoor de kans groot is dat hij – eenmaal in vrijheid – opnieuw diefstallen zal plegen om aan voldoende middelen te komen.
De raadsvrouw heeft de rechtbank subsidiair verzocht de ISD-maatregel op te leggen voor maximaal één jaar en daarbij te bepalen dat na zes maanden een tussentijdse toets plaatsvindt. De raadsvrouw heeft daarbij verzocht om de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht af te trekken van de duur van de ISD-maatregel. Om de beëindiging van de recidive van verdachte alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. Hierbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat een zorgvuldige overdracht naar een verslavingskliniek in Polen tijd kost. De tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht zal – om diezelfde reden – niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel. Ook het verzoek van de raadsvrouw om de maatregel na zes maanden te toetsen, wordt afgewezen. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. De raadsvrouw of de verdachte kan te zijner tijd op grond van het bepaalde in artikel 6:6:14, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering zo nodig een verzoek daartoe doen.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 Wetboek van Strafrecht.