Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-24
ECLI:NL:RBAMS:2025:2671
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,401 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-030328-25
Datum uitspraak: 24 april 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 6 februari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 november 2024 door the Provincial Court in Malaga, Section Nine, Spanje (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Marokko),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 april 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is – conform de door hem ondertekende afstandsverklaring van 7 april 2025 - niet verschenen. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. P.J. Zandt, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een ruling of 18 november 2024 uitgevaardigd door the Provincial Court in Malaga, Section Nine, met referentie: ordinary investigative proceedings No. 2018/22.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Spaans recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
4.1
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de feiten A en B aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
- illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,
- deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt, aldus de uitvaardigende justitiële autoriteit, dat op deze feiten naar het recht van Spanje een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent¸ aldus de uitvaardigende justitiële autoriteit, dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit A en feit B waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden.
De rechtbank ziet echter in dit geval reden om ten aanzien van feit B van dat uitgangspunt af te wijken. Uit onderdeel e) van het EAB blijkt ten aanzien van feit B dat op deelneming aan een criminele organisatie in de Spaanse Penal Code een gevangenisstraf van maximaal één jaar en negen maanden staat, terwijl het bij een lijstfeit moet gaan om een strafbedreiging van maximaal tenminste drie jaren
Dat een feit, ondanks het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit, geen lijstfeit oplevert, kan niet direct tot weigering van de overlevering leiden. In dat geval moet de rechtbank nagaan of dat feit strafbaar is naar Nederlands recht en of op dit feit een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld naar het recht van de uitvaardigende lidstaat. Pas wanneer ook naar Nederlands recht de strafbaarheid van het feit ontbreekt, rijst de vraag of de rechtbank gebruik maakt van de haar in de OLW geboden facultatieve weigeringsgrond.
De rechtbank stelt vast dat feit B dubbel strafbaar is.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit C niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feit C levert naar Nederlands recht op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Bij brief van 14 maart 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende garantie gegeven:
“I MUST RULE AND I HEREBY RULE TO ACCEPT THE CONDITION GOVERNING THE SURRENDER of the accused [de opgeëiste persoon], who shall be returned to the executing State in order to serve any sentence that may be imposed upon him.
Op een aanvullende vraag van het Openbaar Ministerie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 26 maart 2025 het volgende meegedeeld:
It having been thus ordered in these proceedings, and in response to your EMAIL of 20 March 2025, you are hereby informed that the ruling issued by this Court on 14 March 2025, accepting the condition of handing over the accused [de opgeëiste persoon], has not been challenged by the parties and became final on 26 March 2025.”
Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee de verstrekte garantie voldoende.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 140 Wetboek van Strafrecht, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Provincial Court in Malaga, Section Nine, Spanje, voor de feiten omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en D. Kloos, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 april 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ÁG113121019201'È
G113121019201
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.
HvJ EU 3 maart 2020, C-717/18, ECLI:EU:C:2020:142 (X (Europees aanhoudingsbevel – Dubbele strafbaarheid)), punt 42.
Zie artikel 7 OLW.