Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-23
ECLI:NL:RBAMS:2025:2660
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,784 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/015712-25 (EAB IV)
Datum uitspraak: 23 april 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 24 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 augustus 2022 door het Amtsgericht Koblenz, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 maart 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte overlevering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
Tussenuitspraak 3 april 2025
Bij tussenuitspraak van 3 april 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst omdat zij in de zaken betreffende de EAB’s met parketnummers 13/015132-25 (EAB I) en 13/015535-25 (EAB III) had besloten om bij tussenuitspraak het onderzoek ter zitting te heropenen. Omdat de rechtbank in alle zaken tegelijk einduitspraak wilde doen, heeft zij ook in deze zaak een tussenuitspraak gewezen.
Zitting 9 april 2025
Het onderzoek ter zitting is met instemming van de officier van justitie en de raadsman hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 3 april 2025. De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 9 april 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 3 april 2025
Bij voornoemde tussenuitspraak is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (3.) en de strafbaarheid van het feit (4.). De overwegingen van de rechtbank over deze punten worden hier als herhaald en ingelast beschouwd.
4Samenloop van Europese aanhoudingsbevelen
De rechtbank stelt vast dat naast het onderhavige EAB nog drie Poolse EAB’s (parketnummers: 13/015132-25 (EAB I), 13/015308-25 (EAB II) en 13/015535-25 (EAB III)) zijn uitgevaardigd en de rechtbank in EAB I en EAB II de overlevering van de opgeëiste persoon heeft toegestaan bij uitspraken van 23 april 2025.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 26, derde lid, OLW voorrang moet worden gegeven aan het onderhavige EAB omdat het gaat om een ernstig strafbaar feit. Duitsland heeft daarom belang bij de voortgang en afdoening van de strafzaak. Dit kan in het gedrang komen als de opgeëiste persoon eerst naar Polen zou gaan om daar de hem opgelegde straffen uit te zitten.
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vraag aan welk EAB voorrang zou moeten worden verleend. Hij heeft verzocht om in de uitspraak op te nemen dat, indien de opgeëiste persoon eerst aan Duitsland wordt overgeleverd, geen verderlevering vanuit Duitsland aan Polen mag plaatsvinden voor EAB III.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat voorrang moet worden gegeven aan het onderhavige EAB omdat in Duitsland een strafrechtelijk onderzoek naar een ernstig feit loopt. Verderlevering vanuit Polen aan Duitsland kan mogelijk geruime tijd in beslag nemen omdat de opgeëiste persoon in Polen twee vrijheidsstraffen met een substantiële duur moet ondergaan. In het kader van een goede rechtsbedeling zal de rechtbank daarom bepalen dat voorrang gegeven dient te worden aan het onderhavige Duitse EAB.
Het verzoek van de raadsman wordt verworpen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 april 2025 geen gevolg gegeven aan EAB III. Nu de overlevering voor EAB III niet is toegestaan, geldt reeds op grond van het Kaderbesluit dat de Duitse justitiële autoriteiten niet gerechtigd zijn om de opgeëiste persoon voor dat EAB verder te leveren aan Polen zonder daaraan voorafgaand toestemming aan de Nederlandse justitiële autoriteit te vragen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 26 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Koblenz (Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB;
BEPAALT dat VOORRANG dient te worden gegeven aan het onderhavige EAB dat is uitgevaardigd door Duitsland, boven de EAB’s met parketnummers 13/015132-25 (EAB I) en 13/015308-25 (EAB II) die zijn uitgevaardigd door Polen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. Y.M.E. Jurgens en M.J. Gauneau, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 april 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2025:2220.