Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-23
ECLI:NL:RBAMS:2025:2653
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,676 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-015308-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 23 april 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 24 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 maart 2022 door the Circuit Court in Lublin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 maart 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
Tussenuitspraak 3 april 2025
Bij tussenuitspraak van 3 april 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst omdat zij in de zaken betreffende de EAB’s met parketnummers 13/015132-25 (EAB I) en 13/015535-25 (EAB III) had besloten om bij tussenuitspraak het onderzoek ter zitting te heropenen. Omdat de rechtbank in alle zaken tegelijk einduitspraak wilde doen, heeft zij ook in deze zaak een tussenuitspraak gewezen.
Zitting 9 april 2025
Het onderzoek ter zitting is met instemming van de officier van justitie en de raadsman hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 3 april 2025. De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 9 april 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn in deze zaak is verlopen, zodat er geen grond meer is voor gevangenneming in deze zaak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 3 april 2025
Bij voornoemde tussenuitspraak is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (3.), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (3.1) de strafbaarheid van het feit (4.) en de toepassing van artikel 11 OLW in relatie tot het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht en de detentieomstandigheden voor Roma in Polen (5.). De overwegingen van de rechtbank over deze punten worden hier als herhaald en ingelast beschouwd.
4Samenloop van Europese aanhoudingsbevelen
De rechtbank stelt vast dat naast het onderhavige EAB nog twee Poolse EAB’s (parketnummer: 13/015132-25 (EAB I) en 13/015535-25 (EAB III)) alsmede een Duits EAB (parketnummer: 13/015712-25 (EAB IV)) zijn uitgevaardigd. Het laatstgenoemde EAB ziet op de vervolging voor een in Duitsland gepleegd strafbaar feit.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 26, derde lid, OLW voorrang moet worden gegeven aan het Duitse EAB omdat het gaat om een ernstig strafbaar feit. Duitsland heeft daarom belang bij de voortgang en afdoening van de strafzaak. Dit kan in het gedrang komen als de opgeëiste persoon eerst naar Polen zou gaan om daar de hem opgelegde straffen uit te zitten.
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vraag aan welk EAB voorrang zou moeten worden verleend.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat voorrang moet worden gegeven aan het Duitse EAB omdat daar een strafrechtelijk onderzoek naar een ernstig feit loopt. Verderlevering vanuit Polen aan Duitsland kan mogelijk geruime tijd in beslag nemen omdat de opgeëiste persoon in Polen twee vrijheidsstraffen met een substantiële duur moet ondergaan. In het kader van een goede rechtsbedeling zal de rechtbank daarom bepalen dat voorrang gegeven dient te worden aan het Duitse EAB.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 26 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Lublin (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB;
BEPAALT dat VOORRANG dient te worden gegeven aan het EAB met parketnummer 13/015712-25 dat is uitgevaardigd door Duitsland, boven het onderhavige EAB en het EAB met parketnummer 13/015132-25 (EAB I) die zijn uitgevaardigd door Polen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. Y.M.E. Jurgens en M.J. Gauneau, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 april 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2025:2219.