Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2025:2574
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,733 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5043
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Zwolle, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
( [gemachtigden verweerder] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor het kappen van een boom op grond van de Omgevingswet (Ow).
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig samen met zijn dochter, [naam 1] . Namens het college waren [gemachtigden verweerder] aanwezig. Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] in Amsterdam. In de achtertuin van de woning staat een Italiaanse populier van ruim 100 jaar oud. Op 25 januari 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor het kappen van de Italiaanse populier. Volgens eiser wordt de boom te groot en levert deze gevaar op voor omwonenden en omliggende bebouwing. De conditie van de boom verslechtert. De boom is voorbij zijn levensduur.
2.2.
Naar aanleiding van de aanvraag heeft boomdeskundige [naam 2] op 22 februari 2024 geadviseerd geen kapvergunning af te geven. De door eiser aangedragen reden is volgens de boomdeskundige geen reden om de kapvergunning af te geven, nu de boom beeldbepalend is voor het blok achtertuinen en de enige in deze soort en omvang is in het blok achtertuinen. De boom heeft verder geen zichtbare gebreken en zal daarom bij verdenking van achteruitgaande conditie of verdenking van gevaar eerst onderzocht moeten worden door een erkende bomenspecialist. Volgens de boomdeskundige is de toekomstverwachting van de boom meer dan 15 jaar. De boom is bovendien geregistreerd op de gemeentelijke lijst voor bijzondere bomen.
2.3.
Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat niet is voldaan aan de beoordelingsregels als bedoeld wordt in artikel 5.21 van de Ow en artikel 5 van de Bomenverordening 2014. Het college heeft in bezwaar de weigering van de omgevingsvergunning gehandhaafd.
Beoordeling
Toetsingskader
3.1.
Voor de beoordeling van een kapvergunning is de relevante regelgeving weergegeven in de Bomenverordening 2014. In artikel 5, eerste lid, van de Bomenverordening 2014 zijn de – niet dwingend voorgeschreven – weigeringsgronden voor het vellen van een houtopstand opgenomen. Het artikel bepaalt dat een omgevingsvergunning hiervoor kan worden geweigerd in verband met:
a. de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;
b. de waarde van de houtopstand voor het stadsschoon of het landschap;
c. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
d. de waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid.
Op grond van het tweede lid wordt de vergunning, behoudens voor verplanten, geweigerd voor zover dit het vellen van een houtopstand betreft die voorkomt op de lijst van beschermwaardige houtopstanden als bedoeld in artikel 10; hiervan kan alleen worden afgeweken als sprake is van zwaarwegende omstandigheden.
3.2.
Bij de verlening van een kapvergunning heeft het college beleids- en beoordelingsvrijheid. Uit de toelichting bij artikel 5 van de Bomenverordening 2014 blijkt dat het college bij iedere aanvraag tot het vellen van een houtopstand een afweging moet maken van alle betrokken belangen, zowel de belangen die de aanleiding voor de aanvraag vormen, als de belangen bij het behoud van de bomen. De rechter hoeft daarom niet te beoordelen welke uitkomst van de belangenafweging het meest evenwichtig is, maar of verweerder in redelijkheid tot de uitkomst van de belangenafweging heeft kunnen komen, die ten grondslag ligt aan het besluit.
Advies bomendeskundige
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het advies van de bomendeskundige van 22 februari 2024 kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Een bestuursorgaan mag een dergelijk advies aan zijn besluit ten grondslag leggen als het advies (naar de wijze van totstandkoming) zorgvuldig en (naar inhoud) inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag het college bij zijn besluitvorming van het advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan om de inhoud of de conclusie daarvan in twijfel te trekken.
4.2.
Eiser voert aan dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat boomadviseur [naam 2] niet zelf de boom heeft geïnspecteerd. Daardoor kan hij geen goed oordeel geven over diverse aspecten van de boom, bijvoorbeeld of deze beeldbepalend is voor het karakter van de omgeving.
4.3.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Een collega boomdeskundige is ter plaatse geweest. Deze heeft een visuele inspectie uitgevoerd en daarbij onder meer de standplaats, omvang en invloed van de boom op de directe omgeving beoordeeld aan de hand van een vast aantal parameters. Ook zijn er foto’s gemaakt. Niet is gebleken dat boomadviseur [naam 2] het advies niet kon uitbrengen zonder dat hij ter plaatse aanwezig geweest is. Dit maakt het advies niet onzorgvuldig.
4.4.
Eiser voert verder aan dat in het advies ten onrechte staat dat de boom een cultuurhistorische waarde heeft. De boom is niet geregistreerd op de lijst met monumentale bomen, daarover is geen besluit genomen. Het advies is op dat punt volgens eiser onjuist.
4.5.
In het advies staat dat sprake is van een bijzondere cultuurhistorische waarde omdat de boom staat vermeld op de gemeentelijke lijst voor Bijzondere Bomen met Boom-ID N1848. Het college geeft aan dat de boom ten tijde van de aanvraag en van de besluitvorming vermeld staat als ‘(her)beoordeling’ (oranje). Volgens het college is de boom eerder als bijzonder beoordeeld en moet dit nogmaals aangegeven worden in het systeem. Inmiddels heeft de herbeoordeling plaatsgevonden.
4.6.
De rechtbank overweegt dat de registratie als beschermwaardige boom onduidelijk is. Ter zitting heeft de boomdeskundige toegelicht dat het niet uitmaakt als de boom niet als monumentaal kan worden aangemerkt. De boom heeft een bijzondere waarde omdat het een grote boom is. De rechtbank stelt vast dat uit correspondentie sinds 2011 blijkt dat de boom toen is aangedragen als monumentale boom en dat daarop positief is geadviseerd. Het college heeft geen besluit gevonden waaruit blijkt dat conform dit advies is besloten. Daarom is onduidelijk of de boom met een besluit als beschermenswaardig en/of monumentaal is aangewezen. Feit is echter wel dat de boom op de Bijzondere Bomenlijst staat en dat de adviescommissie monumentale houtopstanden heeft geadviseerd dat de boom voldoet aan de criteria om hem op de Lijst van monumentale houtopstanden te plaatsen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook niet ten onrechte de waarde van de boom voor het stadsschoon en beschermenswaardige cultuurhistorie in het besluit meegenomen.
4.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het advies van de bomendeskundige aan de vereisten voldoet en dat het college bij de besluitvorming mocht baseren op dit advies.
Veiligheidsrisico’s
5.1.
Eiser voert aan dat de boom een risico vormt voor de veiligheid van de omwonenden door de klimaatverandering, de conditie van de boom en de hoge leeftijd. De boom staat zeer dicht bij de omliggende bebouwing. Omwonenden hebben daar in het verleden veel over geklaagd, zij vrezen overlast en gevaarzetting.
5.2.
De rechtbank volgt het standpunt van het college dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de boom een (groter dan normaal) risico oplevert voor de omliggende bebouwing en/of omwonenden. Hoewel de bomendeskundige niet primair de veiligheid van een boom beoordeelt, worden eventuele bijzonderheden wel genoteerd. Tijdens het locatiebezoek zijn geen bijzonderheden genoteerd die wijzen op veiligheidsrisico’s. Eiser heeft zijn stelling dat er (aanzienlijke) veiligheidsrisico’s zijn niet onderbouwd, anders dan door te wijzen op de grootte en de leeftijd van de boom. De bomendeskundige heeft op de zitting toegelicht dat de enkele omvang en leeftijd van de boom niet maken dat deze een groter risico oplevert. Het is aan eiser om de boom te onderhouden zodat geen onnodige risico’s ontstaan. Voor zover eiser stelt dat normaal onderhoud niet mogelijk, althans te complex en/of kostbaar is, is het aan hem om dat te onderbouwen. Ook is het aan eiser om te onderzoeken of en te onderbouwen dat er een veiligheidsrisico bestaat. Die onderbouwing ontbreekt.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook in redelijkheid de belangen bij het behoud van de boom zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van eiser om deze te kappen en heeft het de kapvergunning in redelijkheid kunnen weigeren.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.