Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-18
ECLI:NL:RBAMS:2025:2554
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
3,508 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/2004 en 25/2006
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 april 2025 in de zaken tussen
SARA NL B.V., te [vestigingsplaats] , handelend onder de naam [verzoeker 1] ,
[verzoeker 2]
, te Amsterdam,
verzoekers
(gemachtigde: mr. K. van der Hoeven),
en
de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. M. Keurentjes en [naam 1] ).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvragen van verzoekers voor de verlenging van hun exploitatievergunningen. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Verweerder heeft de aanvragen van de verlenging van de exploitatievergunning mogen weigeren. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2.1.
SARA NL B.V. heeft op 10 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor verlenging van de exploitatievergunning van de [verzoeker 1] gevestigd aan de [adres] [nummer 1] . [verzoeker 2] heeft op 27 juni 2024 een aanvraag ingediend voor verlenging van de exploitatievergunning van de Wonder Bar gevestigd aan de [adres] [nummer 2] .
2.2.
Verweerder heeft deze aanvragen met de besluiten van 21 maart 2025 afgewezen.
2.3.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en op 25 maart 2025 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot schorsing van de besluiten.
2.4.
Verweerder heeft verklaard dat de Wonder Bar en [verzoeker 1] open mogen blijven totdat op de verzoeken is beslist.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 7 april 2025 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] namens verzoekers, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door haar gemachtigden.
Besluitvorming
3.1.
[naam 2] en [naam 3] zijn beiden aandeelhouder en bestuurder van SARA NL B.V. en beiden vennoot van [verzoeker 2] . Beide horecabedrijven aan de [adres] , [verzoeker 1] en Wonder Bar, hebben een vergelijkbaar concept met eten, drinken en shisha roken. Daarom heeft verweerder de aanvragen in samenhang met elkaar beoordeeld. Verweerder heeft de aanvragen voor verlenging van de exploitatievergunning afgewezen op grond van artikel 3:11, tweede en derde lid, van de APV en artikel 3, eerste lid, onder b van de Wet Bibob.
3.2.
Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat er in de periode 2022 tot en met 2024 meerdere overtredingen zijn geconstateerd van de WAV, ATW en AWR. Ook zijn er meerdere (vermoedelijke) andere strafbare feiten gepleegd. Het gevaar dat verzoekers in de toekomst wederom in strijd zullen handelen met de WAV, AWR of andere regelgeving acht verweerder groot. Al deze omstandigheden in samenhang bezien geven volgens verweerder aan dat de manier van bedrijfsvoering een gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid. Er wordt door verweerder een patroon gezien van overtredingen en vermoedelijk strafbare feiten die aangeven dat de vennoten structureel niet volgens de geldende regelgeving exploiteren. Hiermee worden belangrijke verplichtingen, die de wet aan ondernemers stelt, overtreden, aldus verweerder. Daarnaast blijkt volgens verweerder uit deze feiten dat de bedrijven vermoedelijk gebruikt worden voor het plegen van strafbare feiten. Daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 3, derde lid onder a van de Wet Bibob: de strafbare feiten zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt gevraagd. Verweerder heeft geen vertrouwen meer in beide exploitanten.
Standpunt verzoekers
4. Verzoekers hebben – kort gezegd – naar voren gebracht dat zij al jaren zonder problemen de horecabedrijven exploiteren. De genoemde vermeende overtredingen zijn gering van aard en rechtvaardigen niet de besluiten om verlenging van de exploitatievergunning te weigeren. Ook worden de feiten uit hun context gehaald en is er geen oog voor de verklaringen die verzoekers daarbij hebben gegeven. Bepaalde vermeende overtredingen houden bovendien geen verband met de exploitatie of zien op feiten gepleegd door een inmiddels ontslagen werknemer. Een aantal vermeende strafbare feiten zijn slechts gebaseerd op aangiftes en staan dan ook niet vast. Er is daarbij geen aandacht voor de positieve acties van verzoekers. Er hoeft in ieder geval geen vrees voor herhaling in de toekomst te zijn. De bezwaren tegen de besluiten zullen dan ook een redelijke kans van slagen hebben. De besluiten om per direct niet meer te mogen exploiteren zijn disproportioneel en onevenredig. De gevolgen voor verzoekers zijn enorm aangezien zij straks geen inkomsten meer zullen genereren terwijl de financiële verplichtingen zullen doorlopen. Er is geen dringende noodzaak om de ondernemingen direct te sluiten want er is geen gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Daarom dient er een voorlopige voorziening te worden getroffen waarbij zij kunnen blijven exploiteren tot zes weken na de beslissingen op bezwaar, aldus verzoekers.
Beoordeling
5.1.
Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeksters dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van de besluiten te dienen belang. Als algemeen uitgangspunt geldt dat er geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter de weigeringsbesluiten (voorlopig) rechtmatig acht.
5.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat op grond van artikel 3:11, tweede en derde lid, van de APV een vergunning kan worden geweigerd als het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Daarbij wordt rekening gehouden met het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen, de aard van het horecabedrijf, de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat, de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende. Uit artikel 3, eerste lid, onder b van de Wet Bibob volgt voorts dat verweerder een vergunning kan weigeren indien ernstig gevaar bestaat dat deze mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
5.3.
Verweerder heeft zijn besluiten gebaseerd op meerdere onderliggende stukken. Hieruit komt een beeld naar voren dat ten aanzien van beide horecabedrijven sprake is van een reeks misstanden. Er zijn overtredingen geconstateerd van de WAV en de ATW. Op het Bibob formulier is niet ingevuld dat zo’n boete op grond van de WAV was opgelegd. Ook is er een boete door de NVWA opgelegd en diende er een verbetertraject te worden ingezet. De belastingdienst heeft een naheffing omzetbelasting opgelegd. Tijdens een controle was er geen leidinggevende aanwezig. Door een minderjarig meisje is aangifte gedaan van verkrachting door leidinggevende [naam 4] , broer van de vennoten, in de woning boven de [verzoeker 2] Dat meisje heeft vermoedelijk tot diep in de nacht zwart gewerkt in de [verzoeker 2] en haar is alcohol geschonken. Deze [naam 4] is naderhand weer als leidinggevende opgevoerd van de [verzoeker 1] . Ook heeft een (vermoedelijk) zwart werkende oud medewerker aangifte gedaan van afpersing door [naam 2] . De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat verweerder op grond van deze gegevens in samenhang bezien heeft kunnen concluderen dat door het verlengen van de exploitatievergunningen van verzoekers het woon- en leefklimaat in de omgeving van de ondernemingen en de openbare orde en de veiligheid nadelig worden beïnvloed. Ook heeft verweerder kunnen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Verzoekers zijn als exploitanten immers verantwoordelijk voor een gedegen bedrijfsvoering. Het kan zo zijn, zoals door verzoekers aangevoerd, dat een aantal incidenten in een bepaalde context moeten worden gezien en dat de aangiftes van verkrachting en afpersing niet hoeven te leiden tot een veroordeling. De voorzieningenrechter concludeert echter dat verzoekers een groot deel van de feiten en omstandigheden niet (voldoende onderbouwd) betwisten. Bovendien is door verweerder uitgebreid en gemotiveerd ingegaan op alle bezwaren ten aanzien van de afzonderlijke incidenten die ten grondslag zijn gelegd aan het besluit nu deze voor het grootse gedeelte ook al in de zienswijze naar voren zijn gebracht. Verweerder heeft daarnaast wel aandacht besteed aan de acties die verzoekers hebben ondernomen, maar merkt terecht op dat deze steeds volgen nadat zij zijn gewezen op misstanden. Daarom is voorstelbaar dat verweerder geen vertrouwen heeft in verzoekers als exploitanten van deze horecaondernemingen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar dan ook geen redelijke kans van slagen.
5.4.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande een belang bij onmiddellijke uitvoering van de bestreden besluiten. De voorzieningenrechter begrijpt dat daartegenover staat dat verzoekers een groot belang hebben om de gevraagde vergunningen te krijgen, zodat uit de exploitatie van de [verzoeker 2] en [verzoeker 1] inkomsten kunnen worden verworven. Bij de huidige stand van zaken weegt het algemene belang dat verweerder dient echter zwaarder, met name gezien de kans van slagen van de bezwaren. Dat als gevolg van de sluiting (logischerwijs) geen inkomsten kunnen worden gegenereerd en gevolgen intreden voor het personeel is onvoldoende om anders te oordelen. Hoe invoelbaar ook, is dit een inherent gevolg van het niet verlengen van een exploitatievergunning. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om de verzochte voorlopige voorziening te treffen.
6. De voorzieningenrechter zal de verzoeken afwijzen. Voor een vergoeding van het griffierecht dan wel voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wettelijk kader
Algemene Plaatselijke Verordening 2008 | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl)
APV Amsterdam 2008
Artikel 3.11 Bijzondere weigeringsgronden
1.De burgemeester weigert de vergunning als de exploitant of de leidinggevende van een alcoholvrij bedrijf niet voldoet aan de in artikel 3.10 gestelde eisen.
2.De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.
3.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:
a. het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen;
b. de aard van het horecabedrijf;
c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;
d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en
e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.
Wet Bibob
Artikel 3
1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.
Algemene Plaatselijke Verordening 2008 Amsterdam.
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Wet arbeid vreemdelingen.
Arbeidstijdenwet.
Algemene wet inzake rijksbelastingen.