Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:2549
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,374 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/129349-24
Datum uitspraak: 3 april 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende op het adres [BRP-adres] .
1Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 april 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.F. van Drumpt, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. J. Nijssen, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich tussen 2015 en 2022 (samen met haar ex-man, medeverdachte [medeverdachte] ) heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk nalaten van het verstrekken van gegevens die invloed zouden kunnen hebben op de hoogte van haar (bijstands)uitkering. Subsidiair is een niet-opzettelijke variant van dit feit ten laste gelegd.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
3Bewijsmiddelen en bewijsmotivering
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
Verdachte en medeverdachte, de toenmalige echtgenoot van verdachte, hebben van (in ieder geval) in de periode van 6 juli 2015 tot 31 december 2022, een gezamenlijke (gezins-) bijstandsuitkering genoten. Op enig moment is verdachte in bezit gekomen van een perceel bouwgrond en een appartement, beide in Turkije. Verdachte is in 2019 ervan op de hoogte geraakt dat zij het perceel bouwgrond bezat. Later kwam ook het appartement in haar bezit. Op 10 januari 2022 hebben verdachte en medeverdachte pas bij de gemeente Amsterdam gemeld dat verdachte over het onroerend goed beschikte.
Verdachten zijn op grond van artikel 17 lid 1WWB/17 lid 1 P-Wet verplicht op verzoek of onverwijld uit eigener beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijze duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Deze inlichtingenplicht gold voor hen beiden.
De rechtbank overweegt dat het in strijd handelen met deze verplichting strafbaar is gesteld op grond van artikel 227b Wetboek van Strafrecht, indien het feit kan strekken tot bevoordeling. Door de officier van justitie en de verdediging is naar voren gebracht dat de in 2022 getaxeerde waarde van het perceel bouwgrond lager is dan de grens waaronder vermogen niet wordt meegerekend bij de bepaling van de uitkering. Het niet meedelen van het bezit van dit perceel, heeft volgens hen dan ook niet tot bevoordeling van verdachte en medeverdachte kunnen leiden.
De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat het perceel bouwgrond in september 2022 getaxeerd is op een waarde die onder de in 2015 tot en met 2022 vastgestelde vermogensgrens ligt, niet afdoet aan de inlichtingenplicht van verdachte op het moment dat zij het perceel bouwgrond verkreeg. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte er wel van uit moeten gaan dat het perceel in ieder geval enige waarde zou vertegenwoordigen en daarom was zij gehouden daarvan mededeling te doen aan de sociale dienst van de gemeente Amsterdam. Het niet melden daarvan had potentieel tot bevoordeling kunnen leiden. De rechtbank oordeelt dan ook dat verdachte zowel het bezit van het perceel als van het appartement had moeten meedelen aan de sociale dienst van de gemeente Amsterdam, maar dit niet (op tijd) heeft gedaan.
De rechtbank oordeelt bovendien dat verdachte dit opzettelijk niet heeft gedaan. Uit het dossier blijkt dat verdachte en medeverdachte meerdere brieven van de sociale dienst hebben ontvangen waarin melding wordt gemaakt van de inlichtingenplicht. In één van de brieven wordt ook expliciet vermeld dat verdachte direct moet laten weten als de persoonlijke-, financiële- of woonsituatie verandert en dat zij veranderingen ook door moet geven wanneer zij twijfelt of deze veranderingen wel relevant zijn voor haar uitkering. Bovendien heeft verdachte verklaard dat zij wist dat zij het onroerend goed eigenlijk bij de Belastingdienst had moeten opgeven. Verdachte was zich er dus terdege van bewust dat het onroerend goed dat zij in Turkije had verkregen ook relevant vermogen was voor de Nederlandse instanties. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat verdachte zich ervan bewust was dat deze informatie ook relevant kon zijn voor het bepalen van haar uitkering. Door deze informatie niet te melden, heeft zij dit opzettelijk nagelaten.
De rechtbank oordeelt tot slot dat verdachte dit feit heeft medegepleegd met medeverdachte. Verdachte en medeverdachte hadden een gezamenlijke (gezins-)uitkering en de inlichtingenplicht gold voor hen beiden. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank echter vast dat medeverdachte pas in 2020 op de hoogte raakte van het bezit van het perceel bouwgrond en daarna pas van het bezit van het appartement. De rechtbank oordeelt dan ook dat verdachte in de periode van 1 januari 2020 tot en met 10 januari 2022 nauw en bewust heeft samengewerkt met medeverdachte bij het plegen van dit feit. Voor de periode daarvoor spreekt de rechtbank verdachte vrij van het medeplegen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2019 tot en met 10 januari 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij, verdachte, wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering krachtens die Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader niet aan de Sociale Dienst en/of de gemeente Amsterdam (schriftelijk) gemeld dat:
- in die periode haar vermogen en/of bezittingen waren toegenomen, althans
gewijzigd, door het bezit van onroerende goederen (een perceel bouwgrond en
een appartement) in Turkije.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen die de tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
5Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Geen straf of maatregel
De officier van justitie heeft geen straf of maatregel gevorderd en de rechtbank zal ook geen straf op maatregel opleggen.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming en de hoogte of de duur daarvan,
voor een deel van de periode tezamen en in vereniging gepleegd
Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en M. Smit, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2025.
[....]