Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:2485
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,591 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11367431 \ CV EXPL 24-13488
Vonnis van 11 april 2025
in de zaak van
DE NEDERLANDSE KLUIS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
De overeenkomst die in deze procedure centraal staat is gesloten tussen een handelaar en een consument. In dat geval moet ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht plaatsvinden. Onder meer moet worden onderzocht of eisende partij de op haar rustende informatieplichten heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
Informatieplichten
2.2.
Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst, te weten binnen de verkoopruimte bij eisende partij na een rondleiding, is sprake van een overeenkomst waarop de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn. Eisende partij heeft gemotiveerd gesteld dat zij heeft voldaan aan deze informatieplichten. De informatie is ook terug te vinden in de overeenkomst en de daarbij ter hand gestelde algemene voorwaarden. Aan de informatieplichten is daarom voldaan.
Toetsing van bedingen
2.3.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een transparant prijsbeding, zodat toetsing van dat beding op oneerlijkheid van dat beding ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn niet aan de orde is.
2.4.
Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In de dagvaarding stelt eisende partij dat in die algemene voorwaarden bepalingen staan die als oneerlijk zouden kunnen worden uitgelegd, waaronder het beding over buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft dat gerepareerd door nieuwe algemene voorwaarden op te stellen en van toepassing te verklaren op de gesloten overeenkomst. Alle huurders, waaronder gedaagde partij, zijn hierover schriftelijk geïnformeerd. Gedaagde partij heeft hierop niet afwijzend gereageerd. Het beginsel van goed huurderschap brengt met zich dat gedaagde partij als huurder een aanbod van eisende partij tot schapping en/of vervanging van een oneerlijk beding moet accepteren, aldus steeds eisende partij.
2.5.
Eisende partij heeft haar stelling dat gedaagde partij schriftelijk is geïnformeerd over gewijzigde algemene voorwaarden niet onderbouwd. Afgezien daarvan, moet gedaagde partij met de nieuwe algemene voorwaarden hebben ingesteld. Het enkel toesturen en het uitblijven van een negatieve reactie treedt niet voor instemming in de plaats. Van instemming is niet gebleken. Hoewel niet uitgesloten is dat goed huurderschap met zich kan brengen dat met een aanbod tot wijziging c.q. vervanging van algemene voorwaarden die oneerlijke bedingen bevatten moet worden ingestemd, moet wel worden ingestemd.
2.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat de op de overeenkomst van toepassing verklaarde (oude) algemene voorwaarden moeten worden beoordeeld. Hierin staat een beding over het in rekening kunnen brengen van buitengerechtelijke incassokosten. Dat beding luidt:
“Verhuurder is gerechtigd buitengerechtelijke en gerechtelijke incassokosten bij Huurder in rekening te brengen.”
2.7.
Zoals eisende partij in de dagvaarding al stelde, is dit beding inderdaad als oneerlijk aan te merken. Een verwijzing naar de wettelijke regeling ontbreekt. Op grond van dit beding kan eisende partij ongelimiteerd kosten bij gedaagde partij in rekening brengen, ook als die kosten het wettelijke tarief overstijgen. Ook is, anders dan op grond van de wet, geen vruchteloze aanmaning (in de zin van artikel 6:96 BW) vereist. Daarmee wijkt het beding ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is (ECLI:NL:HR:2023:198).
2.8.
De kantonrechter is dan ook voornemens het hiervoor geciteerde beding ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve te vernietigen. Gevolg hiervan is dat eisende partij zich niet meer op het beding kan beroepen. Evenmin kan eisende partij een beroep doen op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn als het beding niet in de algemene voorwaarden zou staan (ECLI:EU:C:2021:68 & ECLI:EU:C:2022:971).
2.9.
Ten overvloede merkt de kantonrechter het volgende op. Ook als de nieuwe algemene voorwaarden wel van toepassing zouden zijn geraakt, is het beding dat eisende partij in de nieuwe algemene voorwaarden heeft opgenomen ter vervanging van c.q. aanvulling op het hiervoor geciteerde beding in de oude algemene voorwaarden, eveneens als oneerlijk aan te merken. Ook het nieuwe beding verwijst niet naar de wettelijke regeling en geeft eisende partij de mogelijkheid ongelimiteerd kosten bij gedaagde partij in rekening te brengen. Over de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten zegt het beding immers niets.
2.10.
Voordat tot vernietiging wordt overgegaan, mag eisende partij zich bij akte uitlaten over het voornemen. De zaak wordt voor akte uitlating eisende partij verwezen naar de rol.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 9 mei 2025 om 10.00 uur voor akte uitlating eisende partij,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2025.
991