Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-15
ECLI:NL:RBAMS:2025:2444
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,335 tokens
Inleiding
,RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/022993-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 15 april 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 22 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 januari 2025 door the Regional Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 februari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
De rechtbank heeft op 13 maart 2025 een tussenuitspraak gewezen waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak opgenomen vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank heeft op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22 OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd onder, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De behandeling van het EAB is – na toestemming van de officier van justitie en de verdediging – in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 1 april 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen, maar heeft middels een schriftelijke verklaring afstand gedaan van zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn. Zijn gemachtigd raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, is verschenen en heeft namens hem het woord gevoerd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak 13 maart 2025
De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 13 maart 2025 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van het feit en, in het kader van artikel 11 OLW, over het recht op een eerlijk proces door een onafhankelijk gerecht. Hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat er nadere vragen moeten worden gesteld, omdat op basis van het antwoord van
26 maart 2025 het algemene gevaar in het remand regime niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Ten eerste hebben de Poolse autoriteiten alleen maar aangegeven waar de opgeëiste persoon most likely zal worden gedetineerd. Dit is onvoldoende omdat hierdoor niet vast staat dat hij in the Detention Centre in Gdańsk zal worden geplaatst. Hij kan dus ook in een andere penitentiaire inrichting worden geplaatst waarvan de detentieomstandigheden onbekend zijn. Ten tweede is het niet duidelijk wat de afmeting van de cel is terwijl de rechtbank hierover in de tussenuitspraak wel vragen heeft gesteld.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende informatie van
26 maart 2025 afdoende is om het algemeen gevaar weg te nemen.
De rechtbank verwijst ten eerste naar de overwegingen ten aanzien van de detentieomstandigheden in de tussenuitspraak van 13 maart 2025, welke overwegingen hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
In de aanvullende informatie van 26 maart 2025 staat het volgende vermeld:
Mr [opgeëiste persoon] will most likely be detained after transfer at the Detention Centre in Gdansk.
Mr. [opgeëiste persoon] will not be in a multi-bed cell, as in this case his detention in the Detention Centre in Gdańsk is a preventive measure and not a punishment.
He will be entitled to 2 visits with his family of 60 minutes each and additional visits with his children, he is entitled to classes with a psychologist and visits to doctors at the hospital in the Detention Centre in Gdansk, sports activities, gym, walks, shopping in the shop, phone calls to his family and lawyer. Much depends on the number of hearings at the Prosecutor's Office and the Court.
Mr [opgeëiste persoon] is allowed to spend at least 2 hours a day outside his cell.
Tevens bevindt zich in het dossier een brief van 22 januari 2025 van de Deputy Director of the Department of Enforcement and Probation, waarin onder meer het volgende staat vermeld:
(…) The Prison Service monitors the population of penitentiary units on an ongoing basis and takes organizational measures to ensure that each prisoner is provided with the current statutory housing standard set at a minimum of 3 m2. (…)
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garanties. De rechtbank is, gelet op deze toezeggingen van de Poolse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon in het remand regime waar hij na overlevering in zal worden geplaatst geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Uit de aanvullende informatie van 26 maart 2025 in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 22 januari 2025 volgt dat de opgeëiste persoon een cel van minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte heeft (exclusief sanitair), waarbij is aangegeven dat hij tenminste twee uur per dag buiten zijn cel kan doorbrengen. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in het remand regime in Poolse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door deze garantie ten aanzien van de opgeëiste persoon weggenomen.
De rechtbank overweegt voorts dat, gelet op het arrest ML van het Hof van Justitie van de Europese Unie, uitsluitend de detentieomstandigheden onderzocht dienen te worden van de penitentiaire inrichting waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover de rechtbank beschikt, naar alle waarschijnlijkheid (most likely) zal worden gedetineerd.
Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nadere vragen te stellen.
5
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gdańsk (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 april 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2025:1837.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 87.