Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-15
ECLI:NL:RBAMS:2025:2348
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,200 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5013
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen
Kvalita B.V. , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: E.C. Beijleveld),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Brandt-van Es).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om herziening van een besluit van 17 juni 2022. In dat besluit heeft verweerder de definitieve tegemoetkoming op grond van de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-2) niet vastgesteld, omdat eiseres geen aanvraag heeft ingediend voor een definitieve berekening.
Met het primaire besluit van 15 februari 2024 heeft verweerder het herzieningsverzoek van eiseres afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 juni 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2025. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door de vader van de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiseres is actief in de branche advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering. Zij heeft tijdens de coronacrisis een tegemoetkoming in de loonkosten aangevraagd over de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020. Aan eiseres is in het kader van NOW-2 een tegemoetkoming toegekend van € 29.547,-. Hiervan is een voorschot van € 23.636,- per direct uitgekeerd. Bij deze tegemoetkoming is verweerder uitgegaan van de loonsom zoals eiseres die verschuldigd was in maart 2020 en van een te verwachten omzetdaling van 35%.
2. Eiseres heeft de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de NOW-2 niet aangevraagd. Met de brief van 9 maart 2022 heeft verweerder eiseres daarom geattendeerd op de uiterste aanvraagdatum van 31 maart 2022. Met de brief van 5 april 2022 heeft verweerder eiseres nog een extra termijn gegeven tot 1 juni 2022. Ook hierna heeft eiseres de definitieve berekening niet aangevraagd. Met het besluit van 17 juni 2022 heeft verweerder vervolgens bepaald dat de definitieve tegemoetkoming niet kan worden berekend. Verweerder heeft daarom het aan eiseres betaalde voorschot teruggevorderd. Daartegen heeft eiseres op 18 augustus 2023 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard met het besluit van 15 januari 2024, omdat eiseres niet tijdig bezwaar heeft gemaakt.
3. Eiseres heeft een herzieningsverzoek ingediend tegen het besluit van 17 juni 2022. Dat heeft geleid tot de hier bestreden besluitvorming, waarbij het herzieningsverzoek is afgewezen omdat eiseres geen nieuwe informatie of omstandigheden heeft genoemd.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 17 juni 2022. De rechtbank stelt daarbij vast dat het besluit van 17 juni 2022 in rechte onaantastbaar is geworden. De rechtbank dient dan ook in beginsel dat besluit te respecteren en ervan uit te gaan dat dat besluit juist is. Daarmee is de beoordeling door de rechtbank beperkter dan in het geval eiseres tijdig bezwaar had gemaakt en vervolgens beroep had ingediend.
5. Verweerder heeft in deze zaak toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of verweerder zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om herziening van het eerdere besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Als verweerder op dit punt beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan haar beleid.
6. De eerste vraag is dus of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Onder nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb worden volgens vaste rechtspraak verstaan: feiten of omstandigheden die niet eerder bekend waren of niet eerder konden worden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet tijdig een definitieve aanvraag heeft ingediend vanwege een brand in de woning van haar bestuurder, een diefstal van een laptop in de auto van haar bestuurder en de verhuizing naar een nieuw adres. De rechtbank begrijpt dat eiseres dit als nieuwe feiten ziet, omdat verweerder tijdens de eerdere besluitvorming nog niet bekend was met deze incidenten. De rechtbank wil ook aannemen dat deze incidenten een enorme impact hebben gehad in het privéleven van de bestuurder van eiseres. De incidenten die eiseres heeft genoemd, kunnen echter niet worden gezien als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Eiseres had deze incidenten ook tegen dat besluit kunnen aanvoeren. Nu eiseres dit niet eerder heeft gedaan, kunnen deze incidenten geen rol spelen in het kader van een beoordeling op grond van artikel 4:6 van de Awb.
7. De tweede vraag is of het besluit van 17 juni 2022 evident onredelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Verweerder heeft toegelicht dat eiseres in de periode van maart 2021 tot en met juni 2022 de NOW-2 definitief heeft kunnen aanvragen. Eiseres heeft pas na meer dan een jaar contact gezocht met verweerder. Verweerder heeft het verzoek van eiseres ook voorgelegd aan de zogeheten kleine commissie, maar de commissie heeft geen aanleiding gezien voor een maatwerkoplossing. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiseres pas met het bezwaar van 18 augustus 2023, dus ruim na de aanvraagperiode, te kennen heeft gegeven een aanvraag voor een definitieve berekening te willen doen. Het is echter de verantwoordelijkheid van eiseres om de definitieve aanvraag tijdig in te dienen. Eiseres is hier ook op gewezen bij de toekenning van het voorschot. Op grond van de incidenten die eiseres heeft genoemd kan niet vastgesteld worden dat zij geheel niet in staat was om binnen de gehele aanvraagperiode een aanvraag in te dienen. Nu eiseres niet tijdig een definitieve aanvraag heeft ingediend, is er geen grond voor het oordeel dat het besluit van 22 juni 2022 evident onredelijk is. Eiseres heeft de rechtbank op de zitting nog duidelijk gemaakt dat de besluitvorming bij haar tot onbegrip heeft geleid. Temeer omdat eiseres inmiddels ook een accountantsverklaring heeft ingediend en het volgens haar aannemelijk is dat zij recht had op een tegemoetkoming op grond van de NOW-2. Maar dit gegeven is niet doorslaggevend en neemt niet weg dat zij tijdig een aanvraag voor een definitieve berekening had kunnen indienen.
Conclusie
8. De beroepsgronden slagen niet. Verweerder mocht het verzoek van eiseres om terug te komen van het besluit van 17 juni 2022 afwijzen. Het beroep is dus ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat bij deze uitkomst ook geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.