Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:2263
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,412 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/365
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 april 2025 in de zaak tussen
De Volkskrant B.V. , uit [woonplaats] eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Tweede Kamer der Staten-Generaal, verweerder
(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de (gedeeltelijke) weigering van verweerder om informatie openbaar te maken over het door hem gevraagde advies aan Capra - advocaten om onderzoek in te stellen naar [functie] mevrouw [persoon] naar aanleiding van twee anonieme meldingen over sociale onveiligheid in de Tweede Kamer.
1.1.
Met het besluit van 12 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek van eiseres om openbaarmaking van documenten op grond van de Woo. Verweerder heeft 85 documenten gedeeltelijk openbaar en 643 documenten niet openbaar gemaakt.
1.2.
Met het bestreden besluit van 4 december 2023 (het bestreden besluit I) op het bezwaar van eiseres heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Daarbij zijn, met inachtneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 15 november 2023, 31 documenten opnieuw beoordeeld. Verweerder ziet reden om een deel van de documenten gedeeltelijk openbaar te maken. De openbaarmaking van overige informatie wordt opnieuw geweigerd.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2024 op zitting van de meervoudige kamer behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Ook was namens verweerder aanwezig mr. C.A. Geleijnse.
1.5.
Het onderzoek ter zitting is geschorst en het vooronderzoek is hervat.
1.6.
Verweerder heeft op 4 juli 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar (het bestreden besluit II) genomen. Met het bestreden besluit II is aanvullend beslist op het Woo-verzoek van eiseres. Verweerder heeft (volgens de inventarislijst) vijf documenten alsnog gedeeltelijk openbaar en zeven documenten niet openbaar gemaakt. Het beroep van eiseres wordt geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.
1.7.
Eiseres heeft naar aanleiding van het bestreden besluit II gereageerd met een brief van 9 juli 2024. Verweerder heeft hierop gereageerd met een brief van 21 augustus 2024.
1.8.
De rechtbank heeft partijen per brief gevraagd of zij zonder nadere zitting uitspraak mag doen. Met (stilzwijgende) toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres heeft op 10 november 2022 een Woo-verzoek ingediend. Zij heeft onder andere verzocht om documenten en communicatie over de adviesaanvraag aan Capra-advocaten en het uiteindelijke advies van dit kantoor met betrekking tot het door verweerder ingestelde onderzoek naar de [functie] .
3. Met het primaire besluit heeft verweerder 85 documenten gedeeltelijk openbaar en 643 documenten niet openbaar gemaakt. Verweerder heeft gemotiveerd dat hij de namen en andere persoonsgegevens van ambtenaren niet openbaar heeft gemaakt omdat het belang van privacy van deze ambtenaren zwaarder weegt dan openbaarmaking. Daarnaast zijn de persoonlijke beleidsopvattingen in documenten die bestemd zijn voor intern beraad eveneens niet openbaar gemaakt. Gelet op de aard en de aangelegenheid van het verzoek, acht verweerder het niet in het belang van een goede en democratische bestuursvoering om gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 5.2, tweede lid, van de Woo. Verweerder heeft de aangetroffen documenten ingedeeld in categorieën van A tot en met J. De documenten met betrekking tot het Presidium : ambtelijke voorbereiding, vallen onder categorie B. De documenten met betrekking tot de advisering van Capra-advocaten en Pels Rijcken vallen onder categorie D.
4. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft de bezwaarschriftencommissie een advies uitgebracht. Met inachtneming van dit advies heeft verweerder in het bestreden besluit I een deel van de documenten onder categorie D gedeeltelijk openbaar gemaakt. Het overige deel van de informatie is geheel geweigerd omdat deze persoonlijke beleidsopvattingen betreffen. Verweerder handhaaft zijn standpunt over de toepassing van artikel 5.2, tweede lid, van de Woo. Verweerder benadrukt dat, zeker in kwesties als deze, het van belang is dat ambtenaren zich vrij voelen om zich in het interne beraad te uiten zonder er rekening mee te hoeven houden dat hun opvattingen later openbaar worden.
5. Met het bestreden besluit II heeft verweerder een aanvullende beslissing op bezwaar genomen over twaalf documenten onder categorie B. Vijf daarvan zijn gedeeltelijk openbaar gemaakt en zeven niet. Volgens verweerder vallen meerdere documenten buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek. Daarnaast worden namen en andere persoonsgegevens van ambtenaren niet openbaar gemaakt. Documenten die persoonlijke beleidsopvattingen bevatten en bestemd zijn voor intern beraad worden niet openbaar gemaakt. Verweerder ziet opnieuw af van gebruikmaking van zijn bevoegdheid op grond van artikel 5.2, tweede lid, van de Woo. Op advocaten rust een geheimhoudingsplicht en aan hen komt een verschoningsrecht toe. Hieraan ligt het maatschappelijk belang ten grondslag dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking tot een advocaat moet kunnen wenden. Adviezen van advocaten zijn daarom naar hun aard vertrouwelijk en moeten, uitzonderingen daargelaten, dat blijven, aldus verweerder.
Beoordeling
6.1.
De rechtbank heeft van verweerder de documenten waarvan openbaarmaking geweigerd is en de ongelakte versie van de openbaar gemaakte documenten ontvangen. Verweerder heeft daarbij meegedeeld dat alleen de rechtbank daarvan kennis mag nemen, als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. De rechtbank heeft de documenten – na afloop van de zitting – met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb ingezien.
6.2.
De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de openbaarmaking van de documenten (gedeeltelijk) geweigerd heeft. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Zoekslag en interpretatie
7. Eiseres voert aan dat verweerder haar verzoek te beperkt heeft geïnterpreteerd. Eiseres noemt als voorbeeld dat uit documentnummer 298 volgt dat het advies van Capra-advocaten met een oplegnotitie is gedeeld met het Presidium . In de inventaris is echter geen document terug te vinden met de titel oplegnotitie, terwijl dit wel een relevant document voor haar verzoek is.
8. Verweerder heeft op de zitting aangeboden om een aanvullende beslissing op bezwaar te nemen. Verweerder heeft in de beroepsprocedure alsnog documenten onder categorie B (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank erkent verweerder daarmee dat deze documenten ten onrechte niet eerder in de besluitvorming zijn betrokken. Deze beroepsgrond slaagt in zoverre.
Persoonlijke beleidsopvattingen
9. Het uitgangspunt van de Woo is dat iedereen recht heeft op toegang tot publieke informatie en dat alle overheidsinformatie in beginsel openbaar is behoudens bij de wet gestelde beperkingen. Artikel 5.1 van de Woo bespreekt in het eerste lid de absolute en in het tweede lid de relatieve uitzonderingsgronden. Deze uitzonderingsgronden kunnen openbaarmaking in de weg staan. Bij de absolute uitzonderingsgrond blijft informatieverstrekking te allen tijde achterwege. Bij de relatieve uitzonderingsgrond maakt het bestuursorgaan een afweging tussen het vooropgestelde, algemene belang van openbaarheid en de belangen genoemd in artikel 5.1, tweede lid, van de Woo. De uitzonderingsgronden moeten restrictief worden uitgelegd.
10. Daarnaast wordt op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo, ingeval van een verzoek om informatie uit documenten opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen wordt verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
11. De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waarin door Capra-advocaten aan verweerder is geadviseerd. De rechtbank oordeelt dat als uitgangspunt moet gelden dat een advies van een advocaat, zoals hier aan de orde, naar zijn aard is bestemd voor intern beraad. Het advies bevat persoonlijke beleidsopvattingen, waaronder opvattingen, voorstellen, argumenten, aanbevelingen en conclusies, over een bestuurlijke aangelegenheid.
12. Eiseres bestrijdt (samengevat) dat de adviezen van Capra geheel uit persoonlijke beleidsopvattingen bestaan. Feitelijke gegevens en objectieve factoren kunnen volgens haar geen persoonlijke beleidsopvattingen zijn. Onder verwijzing naar kamerstukken en rechtspraak is volgens eiseres onder de Woo minder ruimte voor het weigeren van documenten op grond van persoonlijke beleidsopvattingen.
13. Verweerder heeft in vijf documenten waarin door Capra-advocaten advies is uitgebracht, openbaarmaking van die documenten met een beroep op artikel 5.2, eerste lid, van de Woo geheel geweigerd. Volgens verweerder vallen de feitelijke gegevens in het advies onder persoonlijke beleidsopvattingen omdat deze in de context van het advies zijn genoemd, waarbij een juridische afweging is gemaakt door een advocaat.
14. Hieronder beoordeelt de rechtbank per zwartgelakte passage of verweerder zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.
Document 37a
De eerste alinea op pagina 1 van deze brief is een persoonlijke beleidsopvatting. De tweede, derde, vierde en vijfde alinea op deze pagina zijn dat niet. Deze alinea’s bevatten een feitelijke opsomming van de gang van zaken en zijn dan ook ten onrechte niet openbaar gemaakt met een beroep op artikel 5.2, eerste lid van de Woo. Dit geldt ook voor de eerste tot en met de vierde alinea van pagina 2. Dit zijn ook geen persoonlijke beleidsopvattingen en mocht verweerder dus niet op voornoemde grond weigeren openbaar te maken. De vijfde alinea op pagina 2 en alle informatie onder het kopje a. Algemeen en verder is wel aan te merken als een persoonlijke beleidsopvatting. Deze informatie is terecht geweigerd.
Document 39a en document 40b
Onder verwijzing naar de motivering over document 37a is de rechtbank van oordeel dat de tweede tot en met de vijfde alinea op pagina 1 van beide documenten geen persoonlijke beleidsopvatting betreft. Ook alinea één tot en met vier op de tweede pagina van beide documenten betreffen geen persoonlijke beleidsopvatting. De vijfde alinea op pagina twee en alle informatie onder het kopje a. Algemeen en verder is dat wel.
Document 49a en document 51a
De rechtbank vindt de eerste alinea op pagina een, feitelijk van aard. Dit geldt ook voor de laatste drie alinea’s onder de streep op pagina twee onder het kopje Feiten. Hetzelfde geldt voor de eerste tot en met de vierde alinea van pagina 3. Verweerder heeft deze passages ten onrechte geweigerd openbaar te maken met een beroep op artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
15. De rechtbank oordeelt dat de hiervoor genoemde passages van de vijf documenten geen persoonlijke beleidsopvattingen zijn, maar een weergave van de feiten en daarmee objectief van aard. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat uit die passages een advies van een advocaat blijkt. Verweerder moet deze passages dan ook alsnog openbaar maken of nader motiveren waarom een andere weigeringsgrond aan openbaarmaking in de weg staat. Deze beroepsgrond slaagt.
16. Voor zover in de adviezen van Capra-advocaten persoonlijke beleidsopvattingen staan en verweerder met een beroep op artikel 5.2, tweede lid, van de Woo heeft besloten om die informatie niet te delen in een niet tot de persoon herleidbare vorm, volgt de rechtbank verweerder wel in zijn betoog.
Leidt openbaarmaking tot onevenredige benadeling?
17. Verweerder heeft documenten 267 en 267a geweigerd openbaar te maken op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo. Volgens verweerder is het nauwelijks mogelijk om te motiveren waarom toepassing is gegeven aan deze bepaling zonder Capra-advocaten alsnog onevenredig te benadelen.
18. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom document 267 volledig geweigerd moet worden, omdat een deel van dit document al openbaar is geworden in document 336. Verder ziet de rechtbank, gelet op de door verweerder gegeven motivering, niet in waarom openbaarmaking van document 267a leidt tot onevenredige benadeling van Capra-advocaten . De rechtbank volgt het betoog van eiseres dat de inzet van deze weigeringsgrond, waarbij het moet gaan om uitzonderlijke gevallen, de verzwaarde motivatiedrempel niet haalt. Verweerder zal dit dus beter moeten motiveren of het document alsnog openbaar moeten maken, al dan niet na raadpleging van Capra-advocaten over dit document.
De documenten bij het bestreden besluit II
19. Verweerder heeft geweigerd om de documenten 1 tot en met 7 openbaar te maken.
Conclusie
29. Het beroep tegen het bestreden besluit I is gegrond omdat het bestreden besluit I genomen is in strijd met artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Een deel van de niet openbaargemaakte teksten bevat geen persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast is de door verweerder gegeven motivering bij de toepassing van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo onvoldoende. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit I op deze punten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar te nemen. Dit omdat het nu aan verweerder is om te beoordelen of zich een (andere) uitzonderingsgrond voordoet die aan openbaarmaking in de weg staat en/of zijn besluitvorming te voorzien van een aanvullende motivering. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor vier weken.
30. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ook gegrond omdat het bestreden besluit II genomen is in strijd met artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Een deel van de niet openbaargemaakte teksten bevat geen persoonlijke beleidsopvattingen, maar betreft feitelijke informatie. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit II op deze punten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar te nemen. Dit omdat het nu aan verweerder is om te beoordelen of zich een (andere) uitzonderingsgrond voordoet die aan openbaarmaking in de weg staat en/of zijn besluitvorming te voorzien van een aanvullende motivering. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor vier weken.
31. Omdat het beroep tegen de bestreden besluiten I en II gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen de bestreden besluit I en II gegrond;
vernietigt het bestreden besluit I van 4 december 2023 voor zover de feitelijke gegevens in de documenten met nummers 37a, 39a, 40b, 49a en 51a ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt, een deel van document 267 ten onrechte niet openbaar is gemaakt en openbaarmaking van document 267a ten onrechte is geweigerd op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo;
vernietigt het bestreden besluit II van 4 juli 2024 voor zover de feitelijke gegevens in de documenten met nummers 1 tot en met 7 ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt;
draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, voorzitter, en
mr. A.D. Belcheva en mr. J.A.W. Jansen, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffierDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.
.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Woo: Wet open overheid.
Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Awb: Algemene wet bestuursrecht.
Zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2773.
Eiseres verwijst onder andere ter onderbouwing van haar betoog naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 mei 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3782.
Het gaat om de documenten met nummers 37a, 39a, 40b, 49a en 51a op de inventaris bij het bestreden besluit I.
Zoals laatstelijk door verweerder overgelegd bij de brief van 21 augustus 2024.
De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9849.
EVRM: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2023:1046 en ECLI:NL:RVS:2024:1161.
Beoordeling
Het gaat om concepten van de Oplegnotities I en II (document 8 en document 9) voor de vergadering van het Presidium . Verweerder heeft toegelicht alle conceptversies in het geheel niet te verstrekken op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i en artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
20. Ten aanzien van de weigering om conceptversies van documenten op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo openbaar te maken, heeft verweerder in het bestreden besluit II toegelicht dat ook hiervoor geldt dat openbaarmaking leidt tot inzicht in de informatie die in de vertrouwenssfeer tussen advocaat en cliënt is gewisseld. Als dergelijke informatie openbaar moet worden gemaakt, betekent dat dat overheden zich niet onbelemmerd en dus niet adequaat kunnen wenden tot, laten adviseren over hun rechtspositie of laten bijstaan door een advocaat. Dit schaadt het goed functioneren van de Tweede Kamer .
21. Ten aanzien van de weigering om conceptversies op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo openbaar te maken, heeft verweerder in het bestreden besluit II toegelicht dat het zonder meer gaat om persoonlijke beleidsopvattingen. Ook als dit niet in de definitieve versies in opgenomen.
22. De rechtbank stelt vast dat de zeven concepten in het geheel niet openbaar zijn gemaakt en de definitieve versies van de Oplegnotities I en II voor de vergadering van het Presidium deels openbaar zijn gemaakt. De rechtbank oordeelt dat voor dit verschil echter geen rechtvaardiging bestaat omdat het gaat om feitelijke informatie. Van dezelfde passages als in de definitieve versie van document 8 kan openbaarmaking in de conceptversies 5 tot en met 7 dan ook niet op basis van de huidige weigeringsgrond worden geweigerd. Datzelfde geldt voor document 9: dezelfde passages als in de definitieve versie van document 9 hadden in de conceptversies 2 tot en met 4 niet op deze weigeringsgrond geweigerd mogen worden. Voor zover document 1 geweigerd is openbaar te maken, overweegt de rechtbank dat dit document niet zuiver een conceptversie is van document 9. Van de eerste twee alinea’s en de eerste zin van de derde alinea had openbaarmaking op deze weigeringsgrond niet geweigerd mogen worden.
Gelet op het objectieve en feitelijke karakter van de hierboven genoemde geweigerde passages ziet de rechtbank niet in dat het belang van het goed functioneren van de staat zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarmaking. Te meer daar deze passages wel in de definitieve versies openbaar zijn gemaakt. Verweerder heeft deze passages dan ook niet mogen weigeren op deze subsidiair toegepaste weigeringsgrond.
23. Voor de onderdelen van document 1 die niet worden genoemd in de hiervoor genoemde overweging, geldt dat openbaarmaking terecht is geweigerd omdat het gaat om passages bestemd voor intern beraad. Dit geldt ook voor de handgeschreven teksten in document 7.
24. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de geheime passages in de documenten 8, 9 en 12. Die passages zijn persoonlijke beleidsopvattingen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat de adviezen vertrouwelijk zijn en in die zin vallen onder de reikwijdte van persoonlijke beleidsopvattingen bestemd voor intern beraad. Voor zover de documenten 8 en 9 ook zijn geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo openbaar te maken, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van deze weigeringsgrond nu de rechtbank al heeft geoordeeld dat verweerder openbaarmaking achterwege mocht laten gelet op de aanwezigheid van persoonlijke beleidsopvattingen. De rechtbank volgt daarom ook de motivering van verweerder bij de weigering om de betreffende passages met toepassing van artikel 5.2, tweede lid, van de Woo openbaar te maken.
25. Informatie in de documenten 10 en 11 valt volgens verweerder buiten de reikwijdte van het verzoek. Eiseres betwist deze beoordeling niet. De rechtbank laat deze grond daarom onbesproken. De rechtbank heeft wel kennisgenomen van de documenten 10 en 11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de persoonsgegevens van ambtenaren niet openbaar gemaakt.
Artikel 10 EVRM
26. Eiseres doet als “public watchdog” een beroep op artikel 10 EVRM. Zij vindt dat de weigering om het advies van Capra-advocaten aan haar te verstrekken een schending vormt van dit artikel en zij wijst nadrukkelijk op het maatschappelijk belang van deze zaak.
27. Onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Afdeling mag in het algemeen ervan worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob (nu de Woo) heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob/Woo strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Dit uitgangspunt staat er evenwel niet aan in de weg dat een verzoeker aangeeft dat en waarom in zijn concrete situatie aan dit uitgangspunt niet kan worden vastgehouden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die zouden meebrengen dat de verzoeker, ondanks de toepassing van de Wob/Woo, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd.
28. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen die zouden meebrengen dat van een ongerechtvaardigde belemmering als hiervoor bedoeld, sprake is. De rechtbank heeft in deze uitspraak beoordeeld welke van de door verweerder toegepaste weigeringsgronden al dan niet standhouden. De omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres journalist is en dat het maatschappelijk belang bij openbaarmaking groot is, is hiervoor, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende.