Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:2217
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,362 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/015132-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 3 april 2025
TUSSEN- UITSPRAAK
op de vordering van 24 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 april 2022 door the District Court in Lublin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 maart 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aggregate judgment of the District Court in Lublin van 16 juni 2020, met referentie: IV K 385/19 (hierna: het verzamelvonnis).
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 20 februari 2025 volgt dat aan het verzamelvonnis de volgende vonnissen ten grondslag liggen:
een vonnis van the District Court Lublin-Wschód in Lublin, with the seat in Świdnik van 9 augustus 2018, met referentie II K 406/16 (hierna: onderliggend vonnis 1);
een vonnis van the Regional Court in Lublin van 16 juni 2020, met referentie: IV K 266/14 (hierna: onderliggend vonnis 2).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren, twee maanden en twintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden.
Met betrekking tot het verzamelvonnis heeft de raadsman aangevoerd dat er mogelijk een onjuiste datum is vermeld, aangezien uit de aanvullende informatie van 20 februari 2025 blijkt dat zowel onderliggend vonnis 2 als het verzamelvonnis op 16 juni 2020 zijn gewezen.
Tevens volgt uit deze aanvullende informatie dat er hoger beroep is ingesteld tegen onderliggend vonnis 2. Het is echter op basis van de verstrekte informatie niet duidelijk of de opgeëiste persoon aanwezig was bij de zitting in hoger beroep, en evenmin blijkt dat hij zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van het hoger beroep dat is ingesteld tegen onderliggend vonnis 2. Uit onderdeel d), dat is toegevoegd als bijlage bij de aanvullende informatie van 20 februari 2025 blijkt immers dat er hoger beroep is ingesteld tegen dit vonnis. Over de procedure in hoger beroep ontbreekt informatie.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het verzamelvonnis
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het verzamelvonnis heeft geleid. In onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren en dat die advocaat ook daadwerkelijk ter zitting zijn verdediging heeft gevoerd. Verder blijkt uit de toelichting onder d.2. dat een door hem gekozen advocaat het verzamelvonnis heeft aangevraagd en dat die advocaat de opgeëiste persoon ter zitting heeft vertegenwoordigd.
Hiermee is sprake van de situatie, als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW en doet zich de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet voor.
Ten aanzien van het hoger beroep tegen onderliggend vonnis 1
Uit de aanvullende informatie van 6 maart 2025 blijkt dat de toegevoegd advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen onderliggend vonnis 1 (II K 406/16). Uit deze informatie volgt ook dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van the Regional Court in Lublin van 23 januari 2019 (V Ka 1234/18).
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.
Uit de aanvullende informatie van 6 maart 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon op 4 december 2018 in persoon is gedagvaard voor de zitting in hoger beroep en daarbij is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. In de aanvullende informatie van 11 maart 2025 wordt bevestigd dat de opgeëiste persoon de oproep voor die zitting “received into his own hands”.
De rechtbank concludeert dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW daarmee aan de orde is. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich niet voor.
Ten aanzien van het hoger beroep tegen onderliggend vonnis 2
Allereerst constateert de rechtbank dat volgens de aanvullende informatie van 20 februari 2025 zowel onderliggend vonnis 2 (IV K 266/14) als het verzamelvonnis op 16 juni 2020 zijn gewezen. Dit lijkt niet te stroken met de overige beschikbare informatie. Het onderliggende vonnis 2 (IV K 266/14) hoeft echter niet aan artikel 12 OLW getoetst te worden. Uit onderdeel d), dat is toegevoegd als bijlage bij de aanvullende informatie van 20 februari 2025, volgt immers dat er tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld door de toegevoegde advocaat van de opgeëiste persoon.
Feiten
telkens: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van mishandeling;
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
wederspannigheid;
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
5Artikel 11 OLW
5.1.
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
5.2.
Detentieomstandigheden Roma in Polen
De raadsman stelt zich op het standpunt dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon in Poolse gevangenissen sprake is van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie vanwege zijn etnische afkomst. De opgeëiste persoon heeft een Roma-achtergrond. Volgens de opgeëiste persoon worden Roma in Polen op structurele wijze gediscrimineerd. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zijn neef in 2019 onder verdachte omstandigheden om het leven is gekomen in een Poolse gevangenis en dat hij vreest voor zijn leven als hij in Polen in detentie terechtkomt.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat door of namens de opgeëiste persoon geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zijn verstrekt die duiden op een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten van Roma in Poolse detentie-instellingen. De enkele verwijzing naar een incident in een Poolse gevangenis in 2019 en de gestelde algemene slechte behandeling van Roma in Poolse gevangenissen is daartoe onvoldoende. De rechtbank verwerpt het verweer.
Dictum
HEROPENT EN SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
BEPAALT dat de behandeling van het EAB – gelijktijdig met de andere EAB’s tegen de opgeëiste persoon – opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 14 dagen vóór 28 april 2025 (het einde van de beslistermijn in EAB IV);
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M.E.M. James - Pater en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en G. Riedijk, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 april 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).