Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:2216
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,469 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/020266-25
Datum uitspraak: 3 april 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 29 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 december 2021 en aangevuld op 13 maart 2025 door the Penal Enforcement Group of the Tatabánya Regional Court, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] (Hongarije),
feitelijk verblijfadres: [adres]
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 maart 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement No. 6.B.39/2019/7 passed by the District Court of Komárom (as court of first instance) on 21 May 2019 that has become final by the judgement No. 10 Bf. 185/2019/8 of the Tatabánya Regional Court (as court of second instance) on 8 October 2019.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Op basis van de door de Hongaarse autoriteiten verstrekte informatie kan niet worden vastgesteld dat de oproep voor de zitting in hoger beroep in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. Ten aanzien van het arrest in hoger beroep is de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW aan de orde. De opgeëiste persoon is in persoon gedagvaard voor de zitting in hoger beroep. Subsidiair moet van toepassing van de weigeringsgrond worden afgezien, omdat de opgeëiste persoon – zo blijkt uit zijn eigen verklaring – zelf hoger beroep heeft ingesteld en een adresinstructie heeft ontvangen.
Oordeel rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank stelt vast dat dit in de onderhavige zaak het geval is en dat het arrest van the Tatabánya Regional Court van 8 oktober 2019 aan artikel 12 OLW getoetst dient te worden.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. In onderdeel d) van het aanvullende EAB, dat is toegevoegd als bijlage bij de aanvullende informatie van 13 maart 2025, is immers ten aanzien van de procedure in hoger beroep geen kruisje gezet bij de uitzondering als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Evenmin blijkt uit de toelichting bij onderdeel d) ondubbelzinnig dat de opgeëiste persoon de dagvaarding in persoon in ontvangst heeft genomen. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon aanwezig was. De opgeëiste persoon heeft bij het verhoor tijdens zijn voorgeleiding op 21 januari 2025 aan de rechter-commissaris verklaard dat hij zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg en vervolgens nooit meer heeft geïnformeerd naar het verloop van de procedure. Bovendien volgt uit onderdeel d) van het aanvullend EAB dat de opgeëiste persoon tijdens de procedure in eerste aanleg een adres heeft opgegeven, een adresinstructie heeft ontvangen en dat de oproep voor de zitting in hoger beroep ook daadwerkelijk is verstuurd naar het door hem opgegeven adres. Nu de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld, kon en moest hij vermoeden dat hij op dat adres zou worden opgeroepen voor de zitting in hoger beroep.
Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden levert het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. Voor zover de opgeëiste persoon niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.
5Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
In een eerdere uitspraak van 7 januari 2025 heeft de rechtbank op basis van het rapport van the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: CPT) van 3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting in Tiszalök, gelet op de ill-treatment van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan er geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is er geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Penal Enforcement Group of the Tatabánya Regional Court voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en G. Riedijk, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 april 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
ECLI:NL:RBAMS:2025:232.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.