Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-02
ECLI:NL:RBAMS:2025:2135
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,230 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/738
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. P.J. Stronks),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. A.D. Gajadien).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een passagier en een gemarkeerde gehandicaptenparkeerplaats. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij met gebruikelijke loophulpmiddelen niet in staat is om zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te overbruggen. Ook is hij van deur tot deur afhankelijk van hulp van de bestuurder. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser, 18 jaar, heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van de GPK passagier en een aanvraag voor een gemarkeerde gehandicaptenparkeerplaats. Hij leidt aan sikkelcelziekte. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder een aantal keer een GGD-arts geraadpleegd. De GGD-arts heeft meerdere malen een negatief advies uitgebracht. Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 1 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder werpt eiser tegen dat hij in staat wordt geacht om 100 meter te kunnen lopen zonder loophulpmiddelen of ondersteuning van anderen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
Toetsingskader
3. Volgens artikel 1, eerste lid, onder b van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart kunnen passagiers, die een aantoonbare loopbeperking hebben waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te lopen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder, in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart.
3.1.
Volgens vaste rechtspraak van de hoger beroepsrechter mag verweerder zich bij het nemen van besluiten baseren op een medisch advies als dit zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is, begrijpelijk is gemotiveerd en het advies de conclusie kan dragen. Het is dan vervolgens aan de aanvrager om met medische stukken aannemelijk te maken dat het medisch advies niet klopt.
Mocht verweerder uitgaan van de adviezen van de GGD?
4. De rechtbank constateert dat de medisch adviseur van de GGD in het kader van het onderzoek bij de behandelaar van eiser in het ziekenhuis navraag heeft gedaan naar hoeveel crises afgelopen jaar hebben plaatsgevonden en of hiervoor ziekenhuisopname nodig was. Volgens verweerder blijkt uit de medische informatie niet dat daar sprake van was. Hierop is geen antwoord gekomen. De GGD-arts stelt in het advies naar aanleiding van het bezwaarschrift: “De mobiliteitsproblemen behorend bij de ziekte zijn intermitterend, d.w.z. niet continu aanwezig. Het grootste deel van de tijd is er geen sprake van een ernstige mobiliteitsbeperking en wordt betrokkene in staat geacht om meer dan 100 meter te kunnen lopen.” Eiser voert echter aan dat de klachten wel continue aanwezig zijn. Uit de brief van AMC Poli Kinderthematologie van 14 april 2023 volgt dat eiser regelmatig thuis een pijnlijke crise heeft. Ook volgt uit deze brief dat eiser niet in staat is om lange afstanden te lopen in verband met verminderde inspanningstolerantie bij sikkelcelziekte en pijn welke getriggerd wordt en weer een crise kan uitlokken.
5. De rechtbank is van oordeel dat het advies van de GGD niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De GGD vond het kennelijk van belang te weten hoe vaak zich een crise voordoet. De GGD heeft geïnformeerd bij de behandelaar van eiser, maar er kwam geen reactie. Ten onrechte heeft de GGD het daarbij gelaten. Indien de GGD bepaalde medische informatie belangrijk vindt voor haar advies ligt het op de weg van de GGD om hierover opnieuw contact op te nemen met de behandelaar. Daarbij komt dat de GGD vervolgens wel een oordeel heeft gegeven over de frequentie van de crises: de GGD stelt dat eiser het grootste deel van de tijd geen mobiliteitsprobleem heeft. Het is onduidelijk waarop de GGD deze conclusie baseert. Het betoog van eiser, onderbouwd door medische verklaringen biedt voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het GGD-advies. Tot slot is de GGD in haar advies ten onrechte niet ingegaan op de opmerking van AMC Poli Kinderthematologie dat lopen een nieuwe crise uitlokt. Dat betekent dat eiser wellicht 100 meter kan lopen, maar dat dit kan leiden tot een nieuwe crise. Dit aspect had de GGD ook moeten meewegen.
5.1.
Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich er onvoldoende van heeft vergewist dat de adviezen van de GGD zorgvuldig, inzichtelijke en concludent zijn. Verweerder heeft deze adviezen daarom niet aan zijn besluit ten grondslag kunnen leggen. De beroepsgrond slaagt. Met dit resultaat hoeven eisers overige beroepsgronden niet te worden besproken.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 januari 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:466.