Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-02
ECLI:NL:RBAMS:2025:2134
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,705 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1660
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. M. Groenewoud),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om een passende woning in verband met een mismatch vanwege haar fysieke en mentale gezondheid. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eiseres meent dat er sprake is van een onzorgvuldig besluit, omdat verweerder voorbij gaat aan de door haar overgelegde stukken. Volgens eiseres achten alle betrokken artsen en zorgverleners de huidige woonsituatie van haar en haar kind onhoudbaar, behalve de GGD-arts. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen. Als laatste stelt eiseres zich op het standpunt dat zij in aanmerking komt voor een urgentieverklaring op medische gronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eiseres is een alleenstaande moeder met een zoontje van 3 jaar. Zij woont sinds 23 juni 2020 op het adres [adres] [huisnummer] in Amsterdam. Dit is een omklapwoning, die eiseres toegewezen heeft gekregen op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt de zorginstelling huurder van de woning en wordt de woning in gebruik gegeven aan de cliënt van de zorginstelling, in dit geval [bedrijfsnaam] . Zodra eiseres voldoende zelfredzaam is, kan de woning “omklappen”, zodat huurder zelfstandig de woning gaat huren. Eiseres is door de zorginstelling nog niet voorgedragen voor de 'omklap'.
2.2.
Op 17 mei 2023 is een verzoek mismatch woning ingediend. Als toelichting op haar verzoek stelt eiseres het volgende. Eiseres heeft er samen met de begeleiding van [bedrijfsnaam] voor gekozen om te proberen om op de vijfde verdieping te gaan wonen, omdat de klachten destijds haar dagelijks leven niet overmatig hinderden. Na enige tijd zijn er helaas buiten deze klachten meer lichamelijke problemen op de voorgrond gaan staan, waardoor het wonen op de bovenste verdieping met een jong kind en zonder lift onmogelijk werd. Eiseres is gediagnostiseerd met Carpaal Tunnel Syndroom (lichamelijke klachten aan haar polsen) en heeft aanhoudende klachten aan haar rug, knieën en heupen. In de afgelopen 3 jaar is eiseres tweemaal van de trap gevallen en een ontelbaar aantal keer net niet gevallen. Door deze incidenten is haar psychische gezondheid enorm achteruit gegaan. Eiseres krijgt veel last van herbelevingen als zij haar deur uit moet en heeft last van angst, paniek en somberheidklachten. Deze herbelevingen hebben te maken met het feit dat haar inmiddels overleden broer in het verleden tweemaal van 3 hoog naar beneden is gesprongen. Al haar behandelaars zijn van mening dat haar woonsituatie momenteel negatief bijdraagt aan het herstel, zowel fysiek als psychisch. De bovenstaande klachten hinderen eiseres niet alleen in haar dagelijkse leven, maar ook het werken aan haar doelen samen met de begeleiding van [bedrijfsnaam] om richting omklap te gaan. Voorgaande was voor de zorginstelling, [bedrijfsnaam] , reden om op 8 augustus 2023 bij de gemeente een mismatch, herijking perspectief aan te vragen, om haar te helpen aan een passende woning.
2.3.
Verweerder heeft vervolgens de GGD om advies gevraagd. Op 29 september 2023 heeft de GGD een advies afgegeven. De GGD-arts erkent het bestaan van de problematiek, maar stelt vast dat de medische onderbouwing voor het bestaan van een mobiliteitsprobleem ontbreekt. De oplossing van de problematiek ligt volgens de arts niet in de toekenning van een laaggelegen woning, maar in de voortzetting van de reeds aangeboden hulpverlening. Eiseres heeft op 30 november 2023 bezwaar ingediend.
2.4.
Met het bestreden besluit van 2 februari 2024 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Volgens verweerder is niet gebleken dat het advies van de GGD-arts niet onpartijdig, objectief en inzichtelijk is opgesteld. Ook bestaat geen twijfel over de zorgvuldigheid van het onderzoek van de GGD-arts. Volgens de GGD-arts is er geen reden om te adviseren dat eiseres in een woning op de begane grond of met lift moet wonen.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Mocht verweerder de afwijzing op het GGD-advies baseren?
3.1.
De rechtbank constateert dat verweerder verschillende standpunten inneemt over de grondslag van het bestreden besluit. Het is voor de rechtbank niet duidelijk aan welke regels verweerder de aanvraag van eiseres heeft getoetst.
3.2.
In het bestreden besluit zelf spreekt verweerder over een medische urgentie in de zin van de Huisvestingsverordening 2020 (Hvv). Ook in het GGD-advies staat vermeld ‘wij toetsen of er reden is om medische urgentie af te geven’. Op de zitting heeft verweerder echter verwezen naar artikel 2.10.7 van de Hvv. Dat artikel bepaalt dat een urgentieverklaring voor uitstroom en omslag kan worden verleend aan bewoners van een omklapwoning, zoals eiseres. Maar volgens het eerste lid onder c van dat artikel kan dat alleen als ‘de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende zelfredzaam is’. Vaststaat dat dat in het geval van eiseres nog niet zover is.
3.3.
In het verweerschrift staat vermeld dat er al een urgentie is verleend onder opschortende voorwaarden. Maar tijdens de zitting bleek dat partijen daar niet mee bekend waren. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat die urgentieverklaring er niet is. Verder verwijst verweerder in het verweerschrift naar bijlage 6 van het programmaboekje Tien Werkafspraken. Dit boekje vermeldt: “De Werkafspraken zijn leidend voor de samenwerking tussen zorgaanbieders, woningcorporaties en gemeente bij de huisvesting en begeleiding van kwetsbare mensen die zelfstandig gaan wonen in de wijk.” Bijlage 6 heeft als titel “woningruil en verhuizing bij mismatch”.
3.4.
In bijlage 6 staat onder het kopje “Verhuizing bij herijking van perspectief”: “Verhuizen is toegestaan indien de woonsituatie het begeleidingstraject van de cliënt ernstig belemmert, de zorgaanbieder en de woningcorporatie nemen samen dit besluit.” Niet wordt verwezen naar een urgentieverklaring en naar toetsing op grond van de Hvv. In bijlage 6 staat wel vermeld dat als er medische redenen zijn voor een verhuizing naar een woning op de begane grond of met lift, er altijd advies nodig is van de GGD-arts.
3.5.
Eiseres heeft een mailwisseling overgelegd waaruit volgt dat de gemachtigde van eiseres aan verweerder heeft gevraagd op grond van welke regeling of regelgeving een mismatch herijking perspectief kan worden aangevraagd en aan welke regelgeving een dergelijke aanvraag wordt getoetst. Mevrouw [naam] , team urgentieverlening, van verweerder antwoordt daarop het volgende: ‘In het programmaboekje Tien werkafspraken van de omslag mo-bw, wordt uitgelegd wanneer iemand in aanmerking kan komen voor een mismatch, herijking perspectief. Dit geldt alleen voor kandidaten die met een intermediair contract op een woning wonen. Intermediair contract is tussen een corporatie en de zorginstelling. In zeer uitzonderlijke gevallen kan een kandidaat een andere woning krijgen. Dit heeft veelal te maken als de zorg stagneert. Iemand zal niet kunnen omklappen, een huurcontract op eigen naam krijgen, omdat men niet stabiel kan worden op de 3 leefgebieden. De zorginstelling en de corporatie gaan dan akkoord met een mismatch regeling. Kandidaat wordt voorgedragen bij Wonen. Wij zorgen dat de kandidaat weer in de AB komt op de wachtlijst voor mismatch. Kandidaat krijgt dan zonder een urgentie een nieuwe woning aangeboden van dezelfde corporatie. Het huurcontract komt weer op naam van de zorginstelling.’
3.6.
De rechtbank is kortom van oordeel dat verweerder niet duidelijk heeft gemotiveerd op basis van welke regels de aanvraag van eiseres moet worden beoordeeld, en welke criteria gelden bij deze beoordeling. Indien de aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van bijlage 6 bij de Tien Werkafspraken, is niet duidelijk welke rol verweerder dan speelt. In bijlage 6 staat immers dat de zorgaanbieder en de woningcorporatie samen het besluit nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat de zorgverlener van eiseres, [bedrijfsnaam] , en de woningcorporatie, de Alliantie, instemmen met verhuizing. Verweerder zal dit nader moeten motiveren.
3.7.
De rechtbank begrijpt dat op grond van bijlage 6 advies wordt gevraagd aan de GGD als er medische redenen zijn voor de verhuizing. Het criterium dat bijlage 6 noemt is echter of het begeleidingstraject van de cliënt ernstig wordt belemmerd door de woonsituatie. In het bestreden besluit en in het GGD advies wordt niet ingegaan op dit criterium. De gevolgen voor het begeleidingstraject komen niet aan de orde. De GGD heeft alleen naar de fysieke klachten van eiseres gekeken. Haar psychische klachten en trauma’s zijn niet kenbaar meegewogen. Verweerder baseert zich alleen op het GGD advies.
3.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de afwijzing van eiseres haar verzoek om een passende woning niet alleen op het GGD-advies mocht baseren. Het bestreden besluit is gebrekkig gemotiveerd en niet zorgvuldig voorbereid.
Heeft verweerder de belangen van eiseres haar kind meegewogen?
4.1.
Bovendien is verweerder niet ingegaan op de belangen van het kind van eiseres. Op grond van artikel 3 van het IVRK rust er een verplichting op het bestuursorgaan om bij besluiten die over kinderen gaan, de belangen van het kind de eerste overweging te laten vormen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende rekenschap gegeven van het belang van het zoontje van eiseres, die inmiddels drie jaar is. Vanwege haar klachten durft eiseres niet goed de trap af te lopen met haar zoontje wat ervoor zorgt dat zij meer thuis is. Dit heeft ook gevolgen voor het kind. Verweerder heeft dit niet kenbaar meegewogen in het bestreden besluit.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en het advies onzorgvuldig is, ook nu een toets aan artikel 3 van het IVRK ontbreekt. Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden hoeven niet verder besproken te worden.
Conclusie
5.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de vraag of eiseres in aanmerking komt voor een andere woning.
5.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat verweerder eiseres opnieuw door een GGD-arts moet laten onderzoeken, waarbij de gevolgen voor eiseres haar begeleidingstraject kenbaar worden meegewogen. Ook dient verweerder nader te motiveren op grond van welke regels het verzoek moet worden beoordeeld en dient het belang van eiseres haar kind kenbaar te worden meegewogen. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
5.3.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 2 februari 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gedoeld wordt op het boekje: Tien Werkafspraken 'Thuis in de wijk' Passend wonen met zorg op maat, van 1 juli 2020. In de colofon is vermeld: “De werkafspraken zijn opgesteld in opdracht van het Programma Huisvesting Kwetsbare Groepen met inbreng van alle partners in de samenwerking.” Als partners worden genoemd: de gemeente, woningcorporaties en zorgaanbieders.
Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind.