Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-01
ECLI:NL:RBAMS:2025:2132
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,658 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5529
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en
het college van burgermeester & wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,
hierna: het college,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing eiser zijn urgentieaanvraag om medische redenen.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 17 augustus 2023 afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de bindingseis en omdat het huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van verwijtbaar handelen. Met het bestreden besluit van 19 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. C. Cetinkaya als tolk en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank beoordeelt of het college de urgentieaanvraag van eiser mocht afwijzen op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv). Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank doet een tussenuitspraak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van algemene weigeringsgronden?
3.1.
Volgens het college is er sprake van twee algemene weigeringsgronden. Eiser voldoet niet aan de bindingseis van ten minste vier jaren onafgebroken wonen in Amsterdam. Dat blijkt uit de Basisregistratie Personen. Ook is hij vanuit Turkije naar Nederland gereisd zonder adequate huisvesting te regelen. Omdat hij heeft nagelaten (permanente) huisvesting in Nederland te regelen, is het huisvestingsprobleem ontstaan als gevolg van zijn eigen toedoen. Hij heeft dus in die zin verwijtbaar gehandeld.
3.2.
Eiser ontkent niet dat hij niet aan de bindingseis voldoet. Hij benadrukt echter dat hij voorafgaand aan zijn verblijf in Turkije, zijn hele leven in Amsterdam heeft gewoond. Hij stond van 1992 tot 2013 ingeschreven in Amsterdam. Daarna is hij onder dwang van zijn vrouw naar Turkije verhuisd. Dit huwelijk kwam in 2017 tot een einde. Toen een vriend hem op dat moment onderdak in Amsterdam aanbod, was het een logische beslissing om terug te gaan naar de stad waar hij zich thuis voelt. Eiser voert aan dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld maar dat er sprake is van een overmachtssituatie waardoor hij dakloos is geworden.
3.3.
De rechtbank overweegt dat het college zich terecht op het standpunt heeft mogen stellen dat de algemene weigeringsgronden aan eiser mochten worden tegengeworpen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de bindingseis zeer streng door het college mag worden toegepast vanwege het beperkte aantal beschikbare sociale huurwoningen. Eiser heeft daarbij ook niet betwist dat hij niet voldoet aan de bindingseis. Over het verwijtbaar handelen als weigeringsgrond overweegt de rechtbank het volgende. Op zitting heeft eiser verklaard dat hij naar Nederland is gekomen zonder over permanente huisvesting te beschikken. Hij kon wel bij een vriend verblijven. Het stond eiser natuurlijk vrij om terug te keren naar Nederland. Dit wordt hem door het college ook niet verweten. Maar feit is dat eiser in Turkije over huisvesting beschikte en in Nederland niet. De rechtbank beschouwt het dan ook als een voorzienbare situatie dat de inwoning bij een vriend op een gegeven moment zou eindigen. Het college mag het standpunt innemen dat hij geen beroep kan doen op voorrang op een sociale huurwoning. Net zoals de bindingseis is ook op dit punt het beleid van het college zeer streng. Maar dat is niet onredelijk gezien de krapte op de woningmarkt. Het college heeft daarom ook de tweede weigeringsgrond aan eiser mogen tegenwerpen. De beroepsgrond slaagt dus niet omdat allebei de weigeringsgronden op eiser van toepassing zijn.
Had het college in het kader van de hardheidsclausule de GGD om advies moeten vragen?
4.1.
De rechtbank overweegt dat het beleid van het college is dat alleen als uit medische verklaringen blijkt dat er een acuut levensbedreigende situatie is, om medisch advies van de GGD wordt gevraagd. De rechtbank is het met het college eens dat uit de door eiser overgelegde medische stukken niet onomstotelijk volgt dat er sprake is van een acuut levensbedreigende situatie. De rechtbank is echter aan de andere kant van oordeel dat het in het geval van eiser niet met zekerheid is vast te stellen dat geen sprake is van een acuut levensbedreigende situatie. Het college had daarom op grond van de nadere stukken toch aanleiding moeten zien om alsnog medisch onderzoek op te vragen bij de GGD. Het nalaten hiervan leidt tot een onvoldoende gemotiveerd besluit. Dit betekent dat het beroep op de hardheidsclausule slaagt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.2.
In de brief van de psycholoog van eiser van 3 mei 2024 wordt gesproken over suïcidaal risico. Dit wordt nader toegelicht in de brief van de psycholoog van 24 februari 2025 die na de beslissing op bezwaar is ingediend. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij niet weet hoe hij verder moet leven en hij trekt in twijfel of hij dit op deze wijze volhoudt. Ook blijkt dat eiser te emotioneel is om de gehele zitting bij te wonen. Daarnaast is eiser hartpatiënt. Van 14 tot en met 18 november 2024 is hij opgenomen geweest op de cardiologische afdeling van het OLVG oost vanwege hartproblemen. Op zitting heeft hij verklaard dat zijn broer op 65-jarige leeftijd is overleden aan hartproblematiek en dat zijn zus wordt gedotterd. Het college heeft deze informatie niet formeel hoeven meewegen omdat de ziekenhuisopname pas na afloop van de bestreden besluitvorming plaatsvond. Maar de combinatie van het suïcide risico gesignaleerd door de psycholoog en de hartproblematiek van eiser maakt dat de rechtbank van oordeel is dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat er geen sprake is van een acuut levensbedreigende situatie. De rechtbank ziet om die reden aanleiding om het college in het kader van zorgvuldige besluitvorming op te dragen alsnog de situatie van eiser voor te leggen aan de GGD. Nu dit niet is gedaan, is het bestreden besluit gebrekkig tot stand gekomen. De rechtbank biedt het college de gelegenheid dit gebrek te herstellen.
4.3.
Het motiveringsgebrek neemt overigens niet weg dat er een kans bestaat dat eiser alsnog geen urgentieverklaring toekomt op medische gronden. Die toets is namelijk erg streng. Maar het is niet aan de rechtbank of het college om te beoordelen of er sprake is van een acute levensbedreigende situatie. Als er aanleiding is te vermoeden dat er sprake is van een acuut levensbedreigende situatie, is het aan de GGD om het college daarover te adviseren.
Conclusie
5.1.
Zoals hiervoor is overwogen onder 4.2. is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen ofwel met een aanvullende motivering of voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
5.2.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
5.3.
Procesverloop
5.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- schorst het bestreden besluit en het primaire besluit tot de uitspraak op het beroep;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak kan alleen tegelijkertijd met de einduitspraak na de tussenuitspraak hoger beroep worden ingesteld
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder i, Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv).
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder e, Hvv.
Versie 16 januari 2023.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2010 en van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:351.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.