Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:1995
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,026 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4147
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. C. de Vries),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een urgentieverklaring.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 23 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het college de urgentieaanvraag terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiseres is een alleenstaande moeder. Zij heeft vier kinderen die tussen drie en zeventien jaar oud zijn. Eiseres woont sinds 10 mei 2021 met haar kinderen in bij haar ex-schoonmoeder aan de [adres] [huisnummer] in Amsterdam in een vierkamerwoning van 100m2 gelegen op de 7e etage. Zij heeft nooit de beschikking gehad over een zelfstandige woning. De ex-partner van eiseres is strafrechtelijk gedetineerd na een veroordeling voor een geweldsdelict.
5. Eiseres heeft een urgentieverklaring voor een woning in Amsterdam aangevraagd. Het college heeft de aanvraag afgewezen op grond van twee algemene weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 2.10.5 eerste lid van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (HVV) en verder zijn uitgewerkt in de Nadere regels. Volgens het college is er geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem, omdat eiseres inwoont bij haar ex-schoonmoeder (de b grond) en zij het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon voorkomen en omdat zij een gezin heeft gesticht in woonruimte die niet beschikbaar zou blijven na de relatiebreuk met haar ex-partner (de c grond). In de nadere regels is bepaald dat niet aan artikel 2.10.8 van de HVV wordt getoetst als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 van de HVV. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat er volgens het college geen sprake is van een dermate schrijnende situatie dat de hardheidsclausule moet worden toegepast.
6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat dat de weigeringsgronden ten onrechte aan haar zijn tegengeworpen. De rechtbank volgt haar daarin niet en overweegt daartoe het volgende. Eiseres woont in het huis van haar ex-schoonmoeder in een geschikte woning. Daarmee is sprake van inwoning. Verder blijkt niet uit het beroep dat eiseres aanspraak kon maken op de woning waar zij met haar ex-partner verbleef voordat zij bij haar ex-schoonmoeder introk. De rechtbank stelt daarom vast dat het college terecht beide weigeringsgronden aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.
7. Als er algemene weigeringsgronden van toepassing zijn, kan onder omstandigheden toch urgentie worden verleend, op grond van de hardheidsclausule. Het uitgangspunt is dat alleen in zeer uitzonderlijke situaties aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule, gelet op het grote tekort aan sociale huurwoningen en het belang van een rechtvaardige verdeling van de beschikbare woonruimte. Als een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule is het in beginsel aan de aanvrager die een beroep doet op toepassing daarvan om aan te tonen dat de problematiek van een dusdanige aard is dat het college op grond daarvan de aanvrager, boven alle andere woningzoekenden, voorrang moet verlenen. Dat is pas het geval indien er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem of anderszins schrijnende situatie.
8. Eiseres voert aan dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen vanwege haar sociale omstandigheden. Eiseres woont in bij haar ex-schoonmoeder. Haar ex-schoonmoeder heeft te kennen gegeven dat zij naar het buitenland gaat verhuizen en dat eiseres en haar kinderen eigen woonruimte moeten zoeken. Daarnaast kan zij geconfronteerd worden met haar ex-partner, die voor het plegen van een zwaar delict is gedetineerd. Het slachtoffer van dat delict woont in hetzelfde gebouw als eiseres. Dit leidt tot confrontaties met het slachtoffer en/of de moeder van het slachtoffer en creëert een sterk gevoel van onveiligheid voor eiseres en haar kinderen.
9. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule en motiveert dit als volgt. Voor zover eiseres stelt dat er sprake van dreiging vanuit haar ex-partner overweegt de rechtbank dat eiseres geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat er relationeel geweld speelt of heeft gespeeld. Verder is op de zitting gebleken dat zich nog geen situatie van verlof vanuit detentie heeft afgespeeld of dat er een concrete datum in zicht is voor het verlof van de ex-partner. Het door eiseres naar voren gebrachte gevoel van dreiging is daarmee onvoldoende concreet onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de confrontaties met het slachtoffer en de moeder van het slachtoffer van het delict dat de ex-partner van eiseres heeft gepleegd. Op de zitting is gebleken dat het gaat om verbale confrontaties tussen het slachtoffer en de kinderen van eiseres en tussen de moeder van het slachtoffer en eiseres. De verklaring van eiseres dat zij en haar kinderen een gevoel van dreiging ervaren is invoelbaar, maar bij het ontbreken van een concrete onderbouwing (bijvoorbeeld met een aangifte of het proberen van burenbemiddeling) heeft het college de hardheidsclausule niet hoeven toepassen. Op de zitting is bovendien gebleken dat de ex-schoonmoeder inmiddels naar het buitenland is geëmigreerd en dat eiseres met haar kinderen nog altijd in het huis van haar ex-schoonmoeder verblijven. Uit de stukken blijkt niet dat de huur door haar ex-schoonmoeder is opgezegd of dat zij een concrete datum heeft gegeven waarop zij de huur gaat opzeggen. Onder al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, heeft het college geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.N. van der Kroft, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoofdstuk 1 'urgenties' paragraaf 3 en 24