Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-27
ECLI:NL:RBAMS:2025:1929
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,244 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5744
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2025 in de zaak tussen
Medisch Centrum Boerhaave B.V. , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigden: [gemachtigde] en [gemachtigde] ),
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(gemachtigde: mr. E. Izaks).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de openbaarmaking van een inspectierapport over een bezoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bij eiseres.
1.1.
Op 24 maart 2023 heeft de minister besloten om het inspectierapport openbaar te maken. Eiseres werd hierbij in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie in te dienen die samen met het inspectierapport op de website van de inspectie zou worden gepubliceerd. Hiervan heeft eiseres geen gebruik gemaakt. Eiseres is tegen het besluit in bezwaar gegaan. Op 2 mei 2023 is het inspectierapport feitelijk openbaar gemaakt door het inspectierapport op de website van de inspectie te plaatsen. Met het besluit van 14 augustus 2023 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres geen belang meer zou hebben bij de beoordeling van haar bezwaar.
1.2.
Eiseres is hiertegen in beroep gegaan. De minister heeft vervolgens bestreden besluit 1 ingetrokken en op 25 maart 2024 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit 2). De minister heeft hierin wel procesbelang aangenomen en het bezwaar deels gegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft vervolgens de rechtbank laten weten dat zij het beroep handhaaft, omdat zij het ook niet eens is met bestreden besluit 2.
1.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden (tevens bestuurders) van eiseres, de gemachtigde van de minister en [inspecteur] , inspecteur.
Beoordeling
2. Met het bestreden besluit 2 heeft de minister bestreden besluit 1 vervangen. Dit betekent dat sprake is van een besluit zoals bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep gaat van rechtswege ook over bestreden besluit 2. Gelet hierop heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit 1. De rechtbank verklaart daarom het beroep tegen het bestreden besluit 1 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk.
Beoordeling
3. Eiseres voert aan dat het niet in strijd met de wetgeving is om vóór het vaststellen van een definitief rapport om een inhoudelijke reactie te vragen. Nu moesten er nog aanpassingen gedaan worden nadat het definitieve rapport al gepubliceerd was. Hierdoor zijn (potentiële) klanten mogelijk verkeerd geïnformeerd of worden zij nog steeds verkeerd geïnformeerd, omdat het definitieve rapport zonder aanpassingen nog steeds op internet staat.
3.1.
De minister stelt dat eiseres wel de mogelijkheid is gegeven om een reactie van maximaal tweehonderd woorden te geven, die met het inspectierapport openbaar gemaakt zou worden.
3.2.
De bestuursrechter kan alleen beroepsgronden beoordelen die binnen de grenzen van het besluit blijven dat aan de bestuursrechter is voorgelegd. De door eiseres aangevoerde beroepsgronden zien niet op het openbaarmakingsbesluit voor het inspectierapport, maar op het openbaargemaakte inspectierapport. Daarover kan de rechtbank dus niet oordelen. De rechtbank is verder niet gebleken dat de minister in strijd met de eisen voor de totstandkoming van een openbaarmakingsbesluit heeft gehandeld.
4. Eiseres betoogt ook dat de minister een onjuiste invulling aan de open norm ‘goede zorg’ heeft gegeven. De inspectie stelt verplicht dat eiseres na een behandeling aan de huisarts van een patiënt een ontslagbericht verstuurt. In de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst is geheimhouding echter als lex specialis opgenomen. Volgens eiseres is het de verantwoordelijkheid van de patiënt om medische informatie al dan niet te delen met zijn huisarts en niet die van eiseres. Eiseres voert verder aan dat een tweepuntsnorm geen recht doet aan de feiten. Dan kan namelijk de indruk ontstaan dat iets helemaal niet deugt, terwijl er slechts een klein onderdeel niet voldoet.
4.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de toetsing van de bestuursrechter van een openbaarmakingsbesluit slechts beperkt kan zijn tot de vraag of voor de vaststellingen van feitelijke aard in het rapport een voldoende feitelijke basis aanwezig is. De waardering van feiten en oordelen daarover maken geen deel uit van de door de bestuursrechter te verrichten toetsing. Ook de conclusies die op die waarderingen en oordelen zijn gebaseerd vallen buiten de toetsing van de bestuursrechter.
4.2.
Het betoog van eiseres kan niet tot een gegrond beroep leiden. Eiseres heeft de rechtbank op de zitting duidelijk gemaakt dat zij vreest voor onjuiste of onvolledige beeldvorming en dat de reactiemogelijkheid op een openbaar gemaakt rapport onvoldoende is. Maar op basis van het toepasselijke wettelijke kader en de rechtspraak mag de rechtbank alleen beoordelen of voor de feiten in het rapport voldoende feitelijke basis aanwezig is. De rechtbank stelt vast dat de feiten in het inspectierapport niet ter discussie staan. De gemachtigden van eiseres hebben dit desgevraagd ook bevestigd op de zitting. Eiseres betwist dus alleen de waardering van feiten, de oordelen daarover en de conclusies die hierop zijn gebaseerd. Het verschil van inzicht hierover tussen eiseres en de minister kan, gelet op overweging 4.1, echter niet door de bestuursrechter getoetst worden.
4.3.
De gemachtigden van eiseres hebben op de zitting zorgen geuit over het feit dat hun betwisting van het rapport niet aan de bestuursrechter voorgelegd kan worden. Hoewel de bestuursrechter in dit geval geen inhoudelijk oordeel kan geven, kan eiseres nog wel terecht bij de civiele rechter. Eiseres kan dus nog wel degelijk een oordeel vragen over het inspectierapport, alleen niet bij de bestuursrechter.
Conclusie
5. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Dat betekent dat het openbaarmakingsbesluit in stand blijft. De minister moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit, omdat de minister naar aanleiding van het beroepschrift van eiseres bestreden besluit 1 heeft vervangen met bestreden besluit 2. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door de statutair directeurs. Zij hebben hun eigen belangen behartigd. Er is derhalve niet door een derde rechtsbijstand verleend, wat wel vereist is om proceskosten te kunnen vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 365 aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 44, eerste lid van de Gezondheidswet.
Zie de uitspraak van de RvS van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2089. Hoewel die uitspraak ging over informatie die openbaar werd gemaakt in het kader van het toezicht op de jeugdhulpaanbieders op grond van de Jeugdwet, zijn de wettelijke bepalingen over de openbaarmaking krachtens de Jeugdwet en de Gezondheidswet gelijkluidend en gezamenlijk ingevoerd op 1 februari 2019 (zie de uitspraak van 23 april 2021 van rechtbank Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2021:1673).