Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-26
ECLI:NL:RBAMS:2025:1914
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,549 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3344
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Wolter),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: mr. E. Kok).
Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en het UWV.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de beëindiging van zijn ZW-uitkering per 4 mei 2023.
1.1.
In de beslissing op het bezwaar van [eiser] van 4 augustus 2023 is het UWV bij de beëindiging van de ZW-uitkering gebleven.
1.2.
Na de uitspraak van deze rechtbank van 7 maart 2024 heeft het UWV een nieuwe beslissing van 6 mei 2024 op het bezwaar van [eiser] genomen (het bestreden besluit) waarin hij opnieuw het standpunt heeft ingenomen dat [eiser] geen recht meer heeft op een ZWuitkering.
1.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van [eiser] en het UWV.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het UWV met het bestreden besluit alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat [eiser] geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser] .
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet kan slagen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. [eiser] werkte als pakketsorteerder voor ongeveer 30 uur per week. Hij heeft zich per 15 februari 2020 ziek gemeld door een bedrijfsongeval en ontving vanaf die datum een ZWuitkering.
5. In de bovengenoemde uitspraak van 7 maart 2024 heeft de rechtbank de beslissing op bezwaar van 4 augustus 2023 vernietigd. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen dat voor de toegenomen psychische klachten van [eiser] beperkingen zijn vastgesteld. [eiser] is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of leidinggevende aspecten. Daarnaast heeft [eiser] beperkingen in het contact met veeleisende klanten of patiënten en in fysieke conflicthantering. De artsen van het UWV hebben de mate waarin zij [eiser] op bovenstaande items beperkt hebben geacht echter niet in hun rapporten toegelicht en evenmin in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) vastgelegd. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de beslissing op bezwaar van 4 augustus 2023 op dit punt een zorgvuldigheidsgebrek bevat. Over de psychische klachten heeft de rechtbank overwogen dat de psychiater in de rapportage van 15 december 2023 concludeert dat sprake is van een geagiteerde depressie met achterdocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft echter ten onrechte niet toegelicht of de klachten bij deze diagnose afwijken van de klachten passend bij de diagnose die in bezwaar is gesteld en of dit gevolgen heeft voor de ernst van de beperkingen, aldus de uitspraak.
6. Volgens het bestreden besluit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de aangenomen beperkingen nader gemotiveerd en een FML opgesteld. Dit besluit berust op een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 april 2024 en een rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 april 2024.
Medische grondslag van het bestreden besluit
7. De verzekeringsarts bezwaar en beroep schrijft in de rapportage van 10 april 2024 dat [eiser] op het aspect sociaal functioneren:
a. is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines (beoordelingspunt 8.4., rubriek 1);
b. beperkt is op:
- leidinggevende aspecten (beoordelingspunt 12.5., rubriek 2)
- contact met veeleisende klanten of patiënten (beoordelingspunten 12.1. en 12.2., rubriek 2)
- fysieke conflicthantering (beoordelingspunt 8.1., rubriek 2).
Volgens deze arts komen de genoemde extra beperkingen in het geheel niet als belasting voor in de geduide functies, ongeacht de mate waarin deze beperkingen worden vastgesteld.
7.1.
Verder concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen verschil bestaat tussen de psychische klachten van [eiser] als beschreven in de rapportages van de verzekeringsartsen en de rapportage van de psychiater van 15 december 2023, zodat hierin geen reden ligt meer of andere beperkingen aan te nemen. De psychiater stelt hierbij de diagnose depressie, matig van aard. De verzekeringsarts noemt een stemmingsstoornis. Een depressie is een stemmingsstoornis. [eiser] heeft te kampen met een stemmingsstoornis, matig van aard (niet ernstig dus), aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
7.2.
Volgens [eiser] lijken hiermee zijn klachten en beperkingen ten onrechte te worden afgezwakt. Verder verwijst [eiser] naar een rapportage van de psychiater van 1 januari 2025 en naar informatie op Wikipedia, waaruit volgens hem naar voren lijkt te komen dat er wel een verschil is tussen een stemmingsstoornis en een depressie.
7.3.
In reactie schrijft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een aanvullende rapportage van 3 maart 3035 (lees: 2025) onder meer dat de psychische klachten van [eiser] na datum in geding (3 mei 2023) zijn toegenomen en dat in de verzekeringsgeneeskunde de oorzaak of de (door de betrokkene ervaren) ernst van de klachten en een diagnose niet doorslaggevend zijn voor het aannemen van beperkingen.
7.4.
Tijdens de zitting heeft [eiser] aanvullend gesteld dat onvoldoende aandacht is besteed aan zijn ureninzetbaarheid, terwijl dit wel is meegenomen in de procedure over de ZW-uitkering, met weliswaar andere data in geding (1 januari 2024 en 3 april 2024). De slaap van [eiser] is al langere tijd niet normaal, maar hiervoor is geen urenbeperking gesteld.
7.5.
Het UWV heeft tijdens de zitting in reactie hierop toegelicht dat het in de onderhavige procedure om een latere datum in geding gaat. Het UWV onderkent dat de situatie van [eiser] is gewijzigd. De psychiater heeft in de rapportage van 1 januari 2025 ook de diagnose PTSS gesteld. De situatie op de datum in geding was echter wezenlijk anders. De eerste (verzekerings)arts is ingegaan op het slaapritme van [eiser] . Niet is gebleken van een structurele slaapbehoefte. Daarom was er geen aanleiding daar op de datum in geding een urenbeperking aan te koppelen, aldus het UWV.
7.6.
De rechtbank acht het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de nadere toelichting van het UWV tijdens de zitting, goed navolgbaar. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat op de datum in geding de beperkingen van [eiser] niet zijn toegenomen, zodat die toegenomen klachten in deze procedure niet in de beoordeling kunnen worden betrokken. [eiser] heeft verder in beroep geen nieuwe medische stukken ingebracht die zouden kunnen leiden tot het aannemen van meer of andere beperkingen. De ingebrachte informatie van Wikipedia kan in ieder geval niet als zodanig worden aangemerkt.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
8. [eiser] blijft van mening dat hij de geduide functies niet kan verrichten, maar wijst daarbij opnieuw, net als in de vorige procedure, op de beperkingen aan zijn dominante
rechterhand.
8.1.
In de uitspraak van 7 maart 2024 heeft deze rechtbank daarover al overwogen dat zij de conclusies van de (verzekerings)artsen over het gebruik van zijn rechterhand door [eiser] kan volgen en dat [eiser] niet heeft toegelicht waarom de geduide functies niet passend zijn, gelet op de vastgestelde beperkingen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 1 augustus 2023 geconcludeerd dat de geduide functies geschikt zijn: waar inzet van de rechterhand noodzakelijk is blijven de belastingeisen binnen de belastbaarheid. [eiser] heeft geen specifieke, gemotiveerde arbeidskundige beroepsgronden aangevoerd. Daarom bestaat geen aanleiding om de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk te achten.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter,
in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).