Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-26
ECLI:NL:RBAMS:2025:1897
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,652 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/3299
uitspraak van de enkelvoudige in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F. van ‘t Hooft),
en
de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).
derde-belanghebbende:
mr. P.L.J. Woesthoff , uit [woonplaats] , derde-belanghebbende
(gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek).
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 28 november 2022 en 6 december 2022 (de primaire besluiten) heeft verweerder bepaald dat eiseres met terugwerkende kracht geen recht heeft op tegemoetkoming in de kosten van haar advocaat.
Bij besluit van 9 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting stond in eerste instantie gepland op 15 januari 2025. Op verzoek van eiseres heeft de rechtbank de zitting verplaatst, naar 12 maart 2025. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De derde-belanghebbende is verschenen, bijstaan door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Primaire besluit I – [besluitnummer 1]
1. Op 27 juni 2019 is aan eiseres een toevoeging geweigerd. Eiseres heeft toen verzocht om een peiljaarverlegging. De eigen bijdrage is toen op basis van het door eiseres geschatte verzamelinkomen (€ 16.538,-) gewijzigd in € 199,-. De Belastingdienst had het inkomen en vermogen van eiseres over 2019 op dat moment nog niet definitief vastgesteld. Eiseres moest een eigen bijdrage van € 199,- betalen. In 2022 heeft verweerder ambtshalve een wettelijk voorgeschreven hercontrole uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het door de Belastingdienst voor 2017 definitief vastgestelde inkomen van eiseres € 84.249.- bedraagt en haar vermogen € 0,-. Het voor 2019 definitief vastgestelde inkomen van eiseres bedraagt € 1.325,- en haar vermogen € 18.984,-. Omdat het vermogen van eiseres boven de wettelijke grens ligt om voor een toevoeging in aanmerking te komen en eiseres daarom met terugwerkende kracht geen recht meer heeft op een bijdrage in de kosten van haar advocaat, heeft verweerder de toevoeging ingetrokken. Verweerder heeft eiseres daarom een rekening gestuurd van
€ 816,47.
Primaire besluit II – [besluitnummer 2]
2. Op 11 november 2019 is aan eiseres een toevoeging geweigerd. Eiseres heeft toen verzocht om een peiljaarverlegging. De eigen bijdrage is toen op basis van het door eiseres geschatte verzamelinkomen (€ 12.656,-) gewijzigd in € 291,-. In 2022 heeft verweerder ambtshalve een wettelijk voorgeschreven hercontrole uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het door de Belastingdienst voor 2017 definitief vastgestelde inkomen van eiseres € 84.249.- bedraagt en haar vermogen € 0,-. Het voor 2019 definitief vastgestelde inkomen van eiseres bedraagt € 1.325,- en haar vermogen € 18.984,-. Omdat het vermogen van eiseres boven de wettelijke grens ligt om voor een toevoeging in aanmerking te komen en eiseres daarom met terugwerkende kracht geen recht meer heeft op een bijdrage in de kosten van haar advocaat, heeft verweerder de toevoeging ingetrokken. Verweerder heeft eiseres daarom een rekening gestuurd van € 258,04.
Primaire besluit III – [besluitnummer 3]
3. Op 11 november 2019 is aan eiseres een toevoeging geweigerd. Eiseres heeft toen verzocht om een peiljaarverlegging. De eigen bijdrage is toen op basis van het door eiseres geschatte verzamelinkomen (€ 12.656) gewijzigd in € 291,-. In 2022 heeft verweerder ambtshalve een wettelijk voorgeschreven hercontrole uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het door de Belastingdienst voor 2017 definitief vastgestelde inkomen van eiseres € 84.249,- bedraagt en haar vermogen € 0,-. Het voor 2019 definitief vastgestelde inkomen van eiseres
bedraagt € 1.325,- en haar vermogen € 18.984,-. Omdat het vermogen van eiseres boven de wettelijke grens ligt om voor een toevoeging in aanmerking te komen en eiseres daarom met terugwerkende kracht geen recht meer heeft op een bijdrage in de kosten van haar advocaat, heeft verweerder de toevoeging ingetrokken. Verweerder heeft eiseres daarom een rekening gestuurd van € 1.134,38.
Primaire besluit IV – [besluitnummer 4]
4. Op 21 november 2019 is aan eiseres een toevoeging geweigerd. Eiseres heeft toen verzocht om een peiljaarverlegging. De eigen bijdrage is toen op basis van het door eiseres geschatte verzamelinkomen (€ 12.656,-) gewijzigd in € 199,-. In 2022 heeft verweerder ambtshalve een wettelijk voorgeschreven hercontrole uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het door de Belastingdienst voor 2017 definitief vastgestelde inkomen van eiseres € 84.249,- bedraagt en haar vermogen € 0,-. Het voor 2019 definitief vastgestelde inkomen van eiseres
bedraagt € 1.325,- en haar vermogen € 18.984,-. Omdat het vermogen van eiseres boven de wettelijke grens ligt om voor een toevoeging in aanmerking te komen en eiseres daarom met terugwerkende kracht geen recht meer heeft op een bijdrage in de kosten van haar advocaat, heeft verweerder de toevoeging ingetrokken. Verweerder heeft eiseres daarom een rekening gestuurd van € 1.269,63.
Primaire besluit V – [besluitnummer 5]
5. Op 11 december 2019 is aan eiseres een toevoeging geweigerd. Eiseres heeft toen verzocht om een peiljaarverlegging. De eigen bijdrage is toen op basis van het door eiseres geschatte verzamelinkomen (€ 12.656,-) gewijzigd in € 145,-. In 2022 heeft verweerder ambtshalve een wettelijk voorgeschreven hercontrole uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het door de Belastingdienst voor 2017 definitief vastgestelde inkomen van eiseres € 84.249,- bedraagt en haar vermogen € 0,-. Het voor 2019 definitief vastgestelde inkomen van eiseres
bedraagt € 1.325,- en haar vermogen € 18.984,-. Omdat het vermogen van eiseres boven de wettelijke grens ligt om voor een toevoeging in aanmerking te komen en eiseres daarom met terugwerkende kracht geen recht meer heeft op een bijdrage in de kosten van haar advocaat, heeft verweerder de toevoeging ingetrokken. Verweerder heeft eiseres daarom een rekening gestuurd van € 1.329,29.
Primaire besluit VI – [besluitnummer 6]
6. Op 11 december 2019 is aan eiseres een toevoeging geweigerd. Eiseres heeft toen verzocht om een peiljaarverlegging. De eigen bijdrage is toen op basis van het door eiseres geschatte verzamelinkomen (€ 12.656,-) gewijzigd in € 145,-. In 2022 heeft verweerder ambtshalve een wettelijk voorgeschreven hercontrole uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het door de Belastingdienst voor 2017 definitief vastgestelde inkomen van eiseres € 84.249.- bedraagt en haar vermogen € 0,-. Het voor 2019 definitief vastgestelde inkomen van eiseres
bedraagt € 1.325,- en haar vermogen € 18.984,-. Omdat het vermogen van eiseres boven de wettelijke grens ligt om voor een toevoeging in aanmerking te komen en eiseres daarom met terugwerkende kracht geen recht meer heeft op een bijdrage in de kosten van haar advocaat, heeft verweerder de toevoeging ingetrokken. Verweerder heeft eiseres daarom een rekening gestuurd van € 250,79.
Het bestreden besluit
7. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie, ongegrond verklaard omdat niet gebleken is dat het inkomen en het vermogen van eiseres in het verlegde peiljaar 2019 onjuist zijn vastgesteld.
Het standpunt van eiseres
8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat vaststelling van haar vermogen op
1 januari 2019 incorrect is, aangezien bij de vaststelling van het vermogen geen rekening is gehouden met opeisbare schulden. De opeisbare schulden hebben een zodanige omvang dat op de peildatum zelfs sprake was van een negatief vermogen. Om deze reden heeft de boekhouder van eiseres in december 2022 een verzoek om herziening ingediend voor de aangifte inkomstenbelasting 2019. Ten tijde van het instellen van beroep – 5 juni 2023 – had de Belastingdienst daar nog geen oordeel over gegeven.
Beoordeling
9.1.
Tussen partijen is in geschil of verweerder zich bij de intrekking van de toevoegingen kon baseren op gegevens van de Belastingdienst. De rechtbank is van oordeel dat dit kon. Op grond van jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter heeft verweerder bij de ambtshalve intrekking van een toevoeging op grond van artikel 34d van de Wrb geen ruimte om af te wijken van de door de Belastingdienst verstrekte gegevens over het inkomen en vermogen over het peiljaar. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting aangegeven dat verweerder op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel zelf onderzoek had moeten doen naar de relevante feiten en omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet zo ver strekt dat verweerder in dit geval gehouden was om zelfstandig onderzoek te doen naar de relevante feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de aangifte inkomstenbelasting 2019.
9.2
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verre van duidelijk is wat de gang van zaken is geweest met betrekking tot het indienen van het herzieningsverzoek bij de Belastingdienst door eiseres en de huidige stand van zaken. In het dossier bevindt zich een email van eiseres van 9 maart 2023 waarin staat dat zij met de Belastingdienst heeft gebeld over de status van de herziene aangifte inkomstenbelasting en dat zij heeft begrepen dat de uitslag voor 14 maart 2023 zal moeten komen. Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar, van 28 april 2023, blijkt dat de boekhouder van eiseres heeft verklaard dat de herziene aangifte in december 2022 is ingediend, dat de Belastingdienst in eerste instantie telefonisch had aangegeven dat het verzoek bijna was afgehandeld en dat later bleek dat het nog niet was behandeld. De boekhouder heeft toen ook verklaard dat hij de Belastingdienst een brief had gestuurd. In de beroepsgronden van 5 juni 2023 staat eveneens dat een herzieningsverzoek is ingediend en dat de Belastingdienst nog geen oordeel heeft gegeven. In de beslissing op het verdagingsverzoek heeft de rechtbank eiseres verzocht om stukken in te dienen waaruit blijkt dat een herzieningsverzoek is ingediend bij de Belastingdienst. Op de dag van de zitting heeft de gemachtigde van eiseres een verklaring van de boekhouder overgelegd waarin een referentienummer van de Belastingdienst wordt genoemd en een naam van de behandelend medewerker. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiseres op de zitting verklaard dat alles mondeling is gegaan, in tegenstelling tot wat eerder is aangegeven. Ook heeft zij verklaard dat er een tweede herzieningsverzoek is gedaan en dat het onzeker is of de Belastingdienst met een uitspraak wil komen. Uiteindelijk heeft zij op zitting aangegeven dat het herzieningsverzoek toch schriftelijk is gedaan. Dat komt de rechtbank ook niet vreemd voor, omdat er een kenmerk en een naam van een behandeld medewerker is genoemd. Dat kenmerk is echter niet te herleiden tot een herzieningsverzoek voor de aangifte inkomstenbelasting 2019. Andere stukken ter onderbouwing, zoals het ingediende verzoek of de eerder genoemde brief van de boekhouder, heeft de rechtbank niet ontvangen. Al met al is het voor de rechtbank niet duidelijk wat de stand van zaken is ten aanzien van het/de herzieningsverzoek(en), terwijl al meer dan twee jaren zijn verstreken en de rechtbank ook specifiek om onderbouwing daarvan heeft gevraagd. Deze onduidelijkheid komt voor rekening en risico van eiseres.
9.3
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vermogensgegevens van de Belastingdienst over het jaar 2019 onjuist zijn. Dat betekent dat verweerder, gelet op artikel 34d, eerste lid, van de Wrb, terecht op grond van de door de Belastingdienst verstrekte gegevens de eerder aan eiseres verleende toevoegingen voor rechtsbijstand heeft ingetrokken. De vraag of de door eiseres gestelde schuld opeisbaar was of niet is voor de beoordeling van het beroep niet relevant.
Conclusie
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres achteraf bezien niet voor een toevoeging in aanmerking kwam vanwege een te hoog vermogen in het peiljaar. Verweerder heeft dan ook terecht de eerder aan eiseres verstrekte toevoegingen ingetrokken en deze intrekkingen zijn ook deugdelijk gemotiveerd.
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de toevoegingen in stand blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
26 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Deze besluiten hebben betrekking op een zestal toevoegingen met kenmerken: [besluitnummer 1] , [besluitnummer 3] , [besluitnummer 5] , [besluitnummer 4] , [besluitnummer 2] en [besluitnummer 6] .
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Wet op de rechtsbijstand.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2885.