Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-20
ECLI:NL:RBAMS:2025:1883
Strafrecht; Europees strafrecht
Tussenuitspraak
3,911 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/391578-24
Datum uitspraak: 20 maart 2025
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 16 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 november 2024 door de plaatsvervangend officier van justitie bij het Landelijk parket van Kardzhali (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1983,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 maart 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht, die waarneemt voor mr. R. Zilver, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de einduitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis met nr. 48 van 01/10/2024, gewezen door de Regionale rechtbank van Kardzhali in het kader van strafzaak van algemene aard nr. 574/2024, in kracht van gewijsde gegaan op 17/10/2024.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert in zijn geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd gelet op artikel 12 OLW. De op 20 februari 2025 in aanvulling op onderdeel d) van het EAB verstrekte informatie van de Bulgaarse autoriteiten, is onvoldoende onvoorwaardelijk. De onvoorwaardelijke mogelijkheid om een verzoek tot herbeoordeling in te dienen is niet hetzelfde als het recht op een herbeoordeling. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 10 oktober 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:6483), waarin is geoordeeld dat een hierop gelijkende Bulgaarse verzetgarantie onvoldoende onvoorwaardelijk was. Verder blijkt uit de stukken niet dat de opgeëiste persoon al dan niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten door niet aan een adresinstructie te voldoen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat de verzetgarantie wel voldoet, gelet op de aanvullende informatie van 20 februari 2025 en onderdeel d) van het EAB, waarin ook is aangekruist dat de opgeëiste persoon een verzetgarantie krijgt. In de tekst in onderdeel d) zit ingebakken dat de verzetgarantie onvoorwaardelijk is. Er is geen reden om aan die onvoorwaardelijkheid te twijfelen. De tekst van de Bulgaarse verzetgarantie in de door de raadsvrouw genoemde uitspraak is anders dan de tekst in onderhavige zaak en dus is die uitspraak hier niet van toepassing. De officier van justitie verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank van 4 september 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:5458), waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat zij niet zonder meer kan vaststellen dat de verkregen verzetgarantie niet onvoorwaardelijk is.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in onderdeel d):
‘[..] de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar
- de beslissing zal hem na overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend,
- de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing,
en
- de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen. Voor vonnisnummer 48 van 01/10/2024, gewezen door de Regionale rechtbank van Kardzhali in het kader van strafzaak van algemene aard nr. 574/2024, in kracht van gewijsde gegaan op 17/10/2024, bedraagt deze termijn zes maanden, te rekenen vanaf de kennisname.’
Op 28 januari 2025 is door het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) de volgende vraag voorgelegd aan de Bulgaarse autoriteiten:
‘Could you please confirm that [opgeëiste persoon] is guaranteed the unconditional right to appeal or retrial against the judgment of the Regional Court in Kardzhali of 1 October 2024?’
Op 20 februari 2025 hebben de Bulgaarse autoriteiten daarop gereageerd met het volgende antwoord:
‘In connection with issued on 18.11.2024 from RP ‐ Kardzhali EZA for the convicted [opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] .1983. in the village [geboorteplaats] , region Kardzhali, I inform you that the person can unconditionally request an appeal or re‐examination of the case within six months of learning of judgment No. 48 of 01.10.2024 in general criminal case No. 574/2024 according to the inventory of RS ‐ Kardzhali, entered into force from 17.10.2024, namely ‐ from the date of his detention in the Kingdom of the Netherlands ‐ 07.01.2025. The defender of the convicted person has been notified of this.’
Uit de jurisprudentie van deze rechtbank betreffende Bulgaarse overleveringsverzoeken waarin een verzetgarantie is verstrekt, blijkt dat de rechtbank niet zonder meer aanneemt dat die garantie onvoorwaardelijk is.
In de regel worden hierover daarom vragen gesteld door het Internationaal rechtshulpcentrum (IRC) in Amsterdam en/of door de rechtbank. Deze vragen zien niet alleen op de (on)voorwaardelijkheid van de verstrekte verzetgarantie, waarover door het IRC al een vraag is gesteld die ook is beantwoord, maar zij zien ook op andere omstandigheden. Te denken valt aan informatie op basis waarvan kan worden beoordeeld of de opgeëiste persoon op de hoogte was van de lopende strafrechtelijke procedure en zijn verdedigingsrechten in die procedure heeft kunnen uitoefenen.
Deze informatie biedt de rechtbank immers de mogelijkheid om - als zij tot het oordeel komt dat de gegeven verzetgarantie niet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW voldoet en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW zich dus voordoet - te beoordelen of zij al dan niet afziet van weigering van de overlevering.
De officier van justitie heeft in deze zaak aangevoerd dat de verstrekte verzetgarantie onvoorwaardelijk is. De rechtbank kan dit op basis van de voorhanden zijnde gegevens echter niet beoordelen.
Om die reden en om, in voorkomend geval, te kunnen beoordelen of zij zal afzien van weigering, ziet de rechtbank in het licht van wat hiervoor is overwogen aanleiding om nadere vragen te stellen. De rechtbank verzoekt de officier van justitie daarom de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
1. Uit het EAB - rubrieken c)2 en e) - blijkt dat de opgeëiste persoon krachtens een aanhoudingsbevel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken met inschrijvingsnummer 1947зз-355/01.10.2023) voor 24 uur is aangehouden:
a. is de opgeëiste persoon gedurende die periode als verdachte gehoord?
b. zo ja, heeft hij toen een adres moeten opgeven waarop hij bereikbaar was voor de Bulgaarse justitiële autoriteiten en is hem meegedeeld dat hij zich op dat adres bereikbaar moest houden voor post van de Bulgaarse justitiële autoriteiten, alsmede dat hij iedere adreswijziging moest doorgeven?
c. zo nee, is de opgeëiste persoon op enig andere wijze op de hoogte geraakt van de tegen hem aanhangige strafrechtelijke procedure en, zo ja, kan informatie worden verstrekt over hoe hij dan op de hoogte van deze procedure is geraakt?
2. Heeft tijdens het proces een advocaat de verdediging van de opgeëiste persoon gevoerd en, zo ja,
a. was dit een door de opgeëiste persoon gekozen advocaat of een hem van overheidswege toegewezen advocaat?
b. was deze advocaat door de opgeëiste persoon gemachtigd om zijn verdediging op het proces te voeren?
5Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a of b van de Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
6Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
De rechtbank heeft op grond van de Public statement van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Bij uitspraak van 11 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het CPT-rapport van 4 mei 2018, naar aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017, niet tot een ander oordeel leidt. Dit geldt eveneens ten aanzien van het CPT-rapport van 18 oktober 2022.
Bij e-mail van 28 januari 2025 heeft het IRC de volgende vragen gesteld om te kunnen beoordelen of de opgeëiste persoon na overlevering aan Bulgarije in detentie zal worden blootgesteld aan het hiervoor genoemde algemene reële gevaar op schending van grondrechten:
‘1.
Beoordeling
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.De rechtbank is gelet op de verstrekte detentiegaranties, gelezen in samenhang met de vraagstelling van het IRC, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest in detentie in Bulgarije. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Bulgaarse detentie-instellingen heeft aangenomen, wordt door voormelde garanties immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon.
Het bepaalde in artikel 11 OLW staat dan ook niet aan de weg aan het toestaan van de overlevering.
Conclusie
De rechtbank zal het onderzoek ter zitting heropenen en gelijk schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4. opgenomen vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteiten te stellen.
Dictum
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 4. genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
BEVEELT dat het onderzoek ter zitting uiterlijk op 3 april 2025 zal worden hervat;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw tegen de nader te bepalen zittingsdatum en -tijd;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Bulgaarse taal tegen de nader te bepalen zittingsdatum en -tijd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mr. E. de Rooij en mr. D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van Ç.H. Dede griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 maart 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Bijv. rb. Amsterdam 4 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5458.
Zie HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90 en o.a. rb. Amsterdam 28 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1269.
Rb. Amsterdam, 11 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1097.
Rb. Amsterdam, 27 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6217.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.