Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-25
ECLI:NL:RBAMS:2025:1869
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,832 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5374
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende in [woonplaats] , Turkije, eiseres
(gemachtigde: mr. M. Özgül),
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. M.R. Schuurman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW).
2.1.
Eiseres is op [medio] oktober 2004 getrouwd met [de man] (hierna: de echtgenoot). De echtgenoot (geboren op [geboortedatum] 1946) heeft in Nederland gewoond en gewerkt. De echtgenoot stond vanaf 17 juni 2010 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) op het adres [adres] in Amsterdam. Zijn zoon woont sinds 11 oktober 1982 op dat adres en woont er nu met zijn gezin. De echtgenoot ontving vanaf 1 februari 2011 een gehuwdenpensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op 23 december 2023 is de echtgenoot overleden. Na zijn overlijden heeft eiseres via het Turkse verzekeringsorgaan Sosyal Güvenli Kurumu (SGK) een ANW-uitkering bij verweerder aangevraagd.
2.2.
Met een besluit van 6 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Met een besluit van 5 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat eiseres geen nabestaande is in de zin van de ANW, omdat de echtgenoot op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW en ook niet op grond van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (het Verdrag).
2.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder met het bestreden besluit de afwijzing van de ANW-uitkering terecht heeft gehandhaafd aan de hand van wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en dat het beroep daarom slaagt. De rechtbank licht dit als volgt toe.
3.1.
Niet in geschil is dat de echtgenoot niet was verzekerd op grond van het Verdrag. De vraag die voorligt is of de echtgenoot op de datum van zijn overlijden verzekerd was op grond van de ANW.
3.1.1.
In artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de ANW is bepaald dat krachtens die wet verzekerd is degene die ingezetene is. Ingevolge artikel 6 van de ANW is ingezetene degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 7, eerste lid, van de ANW naar de omstandigheden beoordeeld. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de ANW is bepaald dat onder nabestaande wordt verstaan de echtgenoot van degene, die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet. Ter beoordeling staat dus of de echtgenoot op de datum van zijn overlijden in Nederland woonde.
3.1.2.
In beleidsregel SB1022 staat dat de SVB bij de beoordeling van het ingezetenschap in de praktijk sterk steunt op de brp. De SVB kan echter periodes van ingezetenschap aannemen die afwijken van de brp. De SVB verricht nader onderzoek als zij over aanwijzingen beschikt die duiden op een van de brp-indicatie afwijkende situatie. Een persoon wordt geacht in Nederland te wonen als tussen hem en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. In beleidsregel SB1274 staat dat hoewel de vraag waar iemand woont, moet worden beantwoord aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden, uit de jurisprudentie blijkt dat aan het kunnen beschikken over een duurzame woning veel belang toekomt. Uit de jurisprudentie blijkt dat een woning als duurzaam moet worden beschouwd als de woning permanent ter beschikking staat van de belanghebbende en door hem te allen tijde kan worden betrokken. Het is niet van belang of een belanghebbende de woning in eigendom heeft of huurt.
3.1.3.
De rechtbank volgt verweerder in zijn op de zitting naar voren gebrachte standpunt dat de bewijslast op eiseres rust, omdat het hier om een aanvraagsituatie gaat. Dit betekent dat zij aannemelijk moet maken dat zij voldoet aan de voorwaarden om voor een ANW-uitkering in aanmerking te komen. Dat betekent dat het aan eiseres is om de feiten en omstandigheden naar voren te brengen, en zo nodig te onderbouwen, waaruit blijkt dat de echtgenoot op de datum van zijn overlijden een duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland.
3.1.4.
Zoals overwogen in 2.1 hiervoor, stond de echtgenoot vanaf 2011 in de brp ingeschreven op een adres in Nederland. In het bestreden besluit heeft verweerder als uitgangspunt genomen dat de echtgenoot tot 2016 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Niet in geschil is dus dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de echtgenoot tot 2016 in Nederland woonde en ingezetene was. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat er sindsdien niets is veranderd; de echtgenoot stond tot zijn overlijden steeds ingeschreven bij zijn zoon, was daar ook daadwerkelijk woonachtig en ging zo nu en dan naar Turkije om tijd met eiseres door te brengen.
3.1.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het licht van het voorgaande onvoldoende gemotiveerd dat de echtgenoot vanaf 2016 geen duurzame band van persoonlijke aard meer zou hebben met Nederland. Dat er toen iets is gewijzigd in zijn woonsituatie is niet gebleken. Verweerder baseert zich op de stelling dat eiseres in een telefoongesprek over haar aanvraag om een AOW-pensioen verklaarde dat de echtgenoot na 2016 niet meer naar Nederland is gereisd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend voor de conclusie dat de echtgenoot vanaf 2016 niet langer in Nederland woonde. Eiseres heeft namelijk betwist dat zij die verklaring heeft afgelegd, terwijl een deugdelijk verslag van dit telefoongesprek ontbreekt. Daardoor is onduidelijk hoe de gestelde verklaring tot stand is gekomen, wat eiseres precies is gevraagd en in welke context, wie haar de vragen heeft gesteld, in welke taal het telefoongesprek plaatsvond en of zij de daarbij gesproken taal voldoende machtig was om de gestelde vragen te kunnen begrijpen en beantwoorden. Ook de stelling van verweerder dat de echtgenoot sinds 2013 niet meer op brieven van verweerder reageerde is onvoldoende om aan te nemen dat de echtgenoot – sinds 2016 – niet meer in Nederland woonde. Hieruit blijkt immers niet dat er in 2016 iets in zijn woonsituatie is veranderd. Die conclusie kan ook niet worden verbonden aan de vermelding in het bestreden besluit dat de echtgenoot geen eigen woning had, omdat hij bij zijn zoon stond ingeschreven. Voor het antwoord op de vraag of de echtgenoot in Nederland woonde maakt het namelijk niet uit of hij een eigen woning had. Daarvoor is volgens het beleid van verweerder bepalend of de woning permanent ter beschikking stond van de echtgenoot en door hem te allen tijde kon worden betrokken. Nu verweerder kennelijk niet betwijfelt dat dit tot 2016 het geval was en gesteld noch gebleken is dat er in zoverre iets is gewijzigd, valt niet in te zien waarom de echtgenoot vanaf 2016 niet meer permanent de beschikking had over woonruimte in de woning van zijn zoon. Dat eiseres niet een door verweerder met de brief van 19 april 2024 gevraagd document van de Turkse politie met in- en uitreisdata van de echtgenoot in de periode van 1 januari 2019 tot 23 december 2023 heeft overgelegd, brengt de rechtbank ten slotte niet tot een ander oordeel. Het ontbreken van dit document is niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd en op basis hiervan kan ook niet worden geconcludeerd dat de duurzame band van persoonlijke aard tussen de echtgenoot en Nederland vanaf 2016 is beëindigd.
Conclusie
3.2.
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn gaat lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
3.3.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht van eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Niet gebleken is dat er andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.S. Zwerwer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.