Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-25
ECLI:NL:RBAMS:2025:1867
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,676 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5958
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,(gemachtigde: [gemachtigde] (hierna: de broer))
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Diemen, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).
Inleiding
1.1.
Met een besluit van 2 juli 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 28 augustus 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld en stukken ingediend. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling
2. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag aan eiseres opgelegd omdat de auto met kenteken [kenteken] op 26 juni 2024 om 16.05 uur geparkeerd stond aan de [adres] in Diemen, terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was voldaan.
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank oordeelt dat de oplegging van de naheffingsaanslag niet terecht is en dat het beroep daarom slaagt. Dit wordt hieronder toegelicht.
4. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen heeft de plaats, waar de broer de auto heeft geparkeerd, aangewezen als weggedeelte bestemd voor betaald parkeren. Artikel 1, aanhef en onderdeel g, van de Tarieventabel 2020 behorende bij de Parkeerverordening Diemen 2020 (hierna: de Verordening) bepaalt voor dat weggedeelte dat het tarief bedraagt: “€ 1,50 per uur. Daarbij is van toepassing dat de eerste twee uur gedurende een aangesloten periode niet in rekening wordt gebracht”. Niet in geschil is dat de broer minder dan twee uur heeft geparkeerd.
5. De parkeerbelasting wordt geheven door voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt op grond van artikel 12, eerste lid, van de Verordening (overeenkomstig het bepaalde in art. 234, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet) aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. In artikel 4.1 van het Aanwijzingsbesluit betaald parkeren 2019 (Abp) is bepaald dat de aangifte pas voltooid is, als het kenteken van het geparkeerde voertuig bij de betreffende parkeerautomaat is ingevoerd.
6. Niet in geschil is dat de broer op 26 juni 2024 omstreeks 15.30 uur op een parkeerautomaat aan de in 2 genoemde straat in Diemen het kenteken [kenteken] heeft ingetoetst en dat hij daarna op het scherm de optie ‘kort parkeren’ heeft ingetoetst. Ook is niet in geschil dat op het scherm van de parkeerautomaat vervolgens de melding ‘Geen gebruikersrechten’ zichtbaar was en dat even later het beginscherm weer in beeld kwam. De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat op basis van de melding ‘Geen gebruikersrechten’ niet zonder meer duidelijk is dat het invoeren van het kenteken is mislukt. Temeer nu de eerste twee uur gratis waren, kan dit ook worden begrepen als een melding dat aan het ingevoerde kenteken verder geen rechten zijn gekoppeld. Het ligt op de weg van de heffingsambtenaar om ervoor te zorgen dat op een parkeerautomaat duidelijk wordt vermeld wanneer het invoeren van een kenteken en/of het inwerking stellen van de parkeerapparatuur al dan niet is geslaagd. Anders dan de heffingsambtenaar op de zitting heeft aangevoerd, kan ook uit de omstandigheid dat de broer na het intoetsen van het kenteken geen bonnetje kreeg niet worden opgemaakt dat het invoeren van het kenteken niet succesvol was. Op de zitting heeft hij namelijk onweersproken gesteld dat de automaat alleen een bonnetje uitgeeft als betalingsbewijs, dat wil zeggen in het geval er wordt betaald voor parkeren langer dan twee uur. De broer hoefde naar het oordeel van de rechtbank daarom niet te begrijpen dat de parkeerautomaat niet in werking was gesteld. Van de broer kon daarom redelijkerwijs ook niet worden verlangd op zoek te gaan naar een andere parkeerautomaat om zijn kenteken in te voeren.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door ook de naheffingsaanslag te herroepen. Dit betekent dat eiseres de naheffingsaanslag niet hoeft te betalen. Als zij de naheffingsaanslag al heeft betaald moet de heffingsambtenaar het betaalde bedrag aan eiseres terugbetalen.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 28 augustus 2024;
- herroept de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.S. Zwerwer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 1 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2777.