Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-13
ECLI:NL:RBAMS:2025:1837
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,613 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-022993-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 13 maart 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 22 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 januari 2025 door the Regional Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 februari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the District Court Gdańsk Południe in Gdańsk van 29 maart 2023 met kenmerk II Kp 273/23.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 11 OLW
5.1.
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
5.2.
Detentieomstandigheden
Inleiding
Voor het onderzoek naar de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na eventuele overlevering aan Polen is van belang dat zijn overlevering in deze zaak (EAB II) wordt gevraagd om hem te vervolgen én in de zaak met parketnummer 13/283589-24 (EAB I) om hem een vrijheidsstraf te laten ondergaan. De rechtbank heeft immers voor voorlopig gedetineerden in Polen (remand regime) een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten aangenomen, terwijl dit niet het geval is voor veroordeelde gedetineerden die in Polen een vrijheidsstraf ondergaan. Daarom is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd of, indien de overlevering van de opgeëiste persoon voor beide EAB’s wordt toegestaan, het regime voor voorlopig gedetineerden (remand regime) gaat gelden.
Bij e-mail van 6 februari 2025 hebben de Poolse autoriteiten deze vraag voor zover relevant als volgt beantwoord:
“I would like to clarify that the prosecuted Mr. [opgeëiste persoon] , after his surrender to Poland under the European arrest warrant in the case conducted under case number XIV Kop 177/24 [opmerking rechtbank: het onderhavige EAB II], will not start serving his prison sentence.”
Bij e-mail van 10 februari 2025 hebben de Poolse autoriteiten dit antwoord verder als volgt toegelicht:
“I would like to clarify that at the time of the transfer of [opgeëiste persoon] under the EAW issued by the District Court in Gdansk both in case IV Kop 65/24 and XIV Kop 177/24 to Poland, he will start serving his sentence in case IV K 19/23 (EAW IV Kop 65/24); at the same time he will be subject to the rigors of pre-trial detention applied in case 3008-1.Ds.35.2024 of the District Prosecutor's Office in Gdansk (EAW XIV Kop 177/24); in the Polish legal order, the execution of a sentence and the application of a preventive measure in the form of pre-trial detention may take place simultaneously, which means that during the execution of the sentence, the detainee is additionally subject to the rigors of pre-trial detention and remains at the disposal of the body in the proceedings of which the pre-trial detention was applied (in the present case, he will remain at the disposal of the District Prosecutor's Office in Gdansk); as a consequence, in the case of termination of pre-trial detention before the end of the prison term, the convict continues to serve the prison term (but with credit for the prior period), and in the case of termination of the prison term before the expiration of the term of pre-trial detention, the preventive measure of pre-trial detention continues to be exercised.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aan dit EAB geen gevolg moet worden gegeven en de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat overlevering van de opgeëiste persoon, die na overlevering in een remand regime zal worden geplaatst, tot een schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zal leiden. Subsidiair heeft hij verzocht om de behandeling van dit EAB af te splitsen van de behandeling van EAB I en de overlevering inzake EAB I alvast toe te staan, nu de opgeëiste persoon zo snel mogelijk zijn straf wil gaan uitzitten in Polen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon na overlevering zijn straf zal gaan uitzitten, waarbij de officier van justitie ervan uitgaat dat de opgeëiste persoon niet in een remand regime zal worden geplaatst, zodat geen gevaar van een schending van artikel 4 van het Handvest bestaat.
Dictum
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd,
teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder punt 5.2 opgenomen vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen;
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenneming van de opgeëiste
persoon met 30 dagen;
BEPAALT dat de zaak zo spoedig mogelijk opnieuw op zitting moet worden gepland, maar uiterlijk twee weken voor 20 mei 2025 (het einde van de verlengde beslistermijn);
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman en oproeping van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 maart 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Zie onder meer: Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 97.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 95