Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-20
ECLI:NL:RBAMS:2025:1804
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,469 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/6931
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
en
[verweerder]
, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Moddejonge).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om correctie van de justitiële documentatie (ook wel strafblad genoemd) met betrekking tot zijn persoon.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 10 augustus 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 november 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft nadere stukken ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser heeft op 18 juli 2023 een correctieverzoek bij verweerder ingediend. Eiser herkent zich, kort samengevat, niet in de dingen die op zijn strafblad staan.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder het correctieverzoek van eiser afgewezen. Volgens verweerder zijn de op naam van eiser geregistreerde justitiële gegevens juist en volledig. Er bestaat daarom geen grond om deze gegevens te corrigeren.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft toegelicht dat op grond van artikel 7, eerste lid, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens ( Bjsg ), alle beslissingen van het Openbaar Ministerie (OM) of de rechter worden geregistreerd, behalve de beslissingen om niet verder te vervolgen omdat de betrokkene onterecht als verdachte is aangemerkt of als sprake is geweest van rechtmatige geweldsuitoefening van een opsporingsambtenaar. Nu de registraties ten aanzien van eiser niet onder die uitzonderingen vallen, moeten deze beslissingen op het strafblad worden geregistreerd. Van feitelijke onjuistheid van de registraties is geen sprake. Het is niet aan verweerder om te beoordelen of een uitspraak van de rechter een juiste beslissing is. Indien eiser het niet eens is met de inhoudelijk uitspraak die destijds door de rechtbank is genomen, dan moet eiser zich wenden tot de rechtbank of het OM. Verweerder is evenmin bevoegd om een onderzoek in te stellen naar de inhoud van een zaak. Verweerder is slechts bevoegd om na de te gaan of een beslissing juist staat geregistreerd. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden: het OM heeft de registraties geverifieerd.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gegevens van eiser, zoals opgenomen in het strafblad, kloppen. Uit artikel 3, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ( Wjsg ) volgt namelijk dat verweerder de gegevens verwijdert als blijkt dat deze onjuist of onvolledig zijn.
6. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond. Dit betekent dat hij geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader
7. Het juridisch kader is als bijlage onderaan deze uitspraak opgenomen.
Beroepsgronden
8. Eiser stelt dat meerdere registraties op zijn strafblad niet correct zijn. Hij zegt dat hij zich nooit schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling, dat hij geen geweld heeft gebruikt tegen een politieagent en hij nooit een boete van 400 euro heeft betaald. Eiser is ervan overtuigd dat deze onjuistheden nare gevolgen hebben gehad: hij wordt vaak onterecht staandegehouden door de politie en hij vermoedt dat hij door de thuiszorg en de huisarts anders wordt bejegend omdat ze bekend zijn met de registraties op zijn strafblad.
Oordeel rechtbank
9. Allereerst stelt de rechtbank met betrekking tot de door eiser geuite zorgen vast dat de gegevens in het strafblad alleen gedeeld mogen worden met de instanties die genoemd staan in het Bjsg . Zoals ook op de zitting is toegelicht door verweerder, is het niet mogelijk dat de thuiszorg en de huisarts inzage hebben gekregen. Ook de rechtbank heeft geen afschrift van het strafblad ontvangen.
10. Eiser heeft zelf een kopie van een pagina van het strafblad naar de rechtbank gestuurd, waardoor de rechtbank toch kennis heeft kunnen nemen van een aantal registraties. Hieraan valt op dat de registraties voor een groot deel overeenkomen met hetgeen eiser stelt. Zo is hij inderdaad niet veroordeeld voor zware mishandeling: de rechtbank heeft hem vrijgesproken. Ook klopt het dat eiser niet veroordeeld is wegens fysiek geweld tegen een agent: het ging om belediging. Tot slot klopt het ook dat eiser geen boete van 400 euro heeft moeten betalen: deze is in voorwaardelijke vorm opgelegd.
11. Zoals eerder omschreven, dient de rechtbank in deze zaak echter alleen te beoordelen of de gegevens op het strafblad overeenkomen met de justitiële of strafvorderlijke gegevens van het OM. De inhoudelijke juistheid van deze gegevens staat in deze procedure niet ter discussie.
12. Naar aanleiding van het correctieverzoek van eiser heeft het OM de registraties op verzoek van verweerder geverifieerd. Hieruit is gebleken dat de gegevens overeenkomen. Hiermee staat vast dat de beslissingen van de rechter of het OM met betrekking tot eiser correct zijn overgenomen op het strafblad. Dit maakt dat de rechtbank het beroep van eiser ongegrond zal verklaren.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de gegevens op het strafblad niet gewijzigd zullen worden. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.M. Kruizinga, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: juridisch kader
1. Uit artikel 2, eerste lid, van de Wjsg volgt dat verweerder in de justitiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging verwerkt.
2. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat bij algemene maatregel van bestuur de gegevens worden aangewezen die als justitiële gegevens worden aangemerkt.
3. Uit artikel 3, eerste lid, van de Wjsg volgt dat verweerder de nodige maatregelen treft opdat de justitiële gegevens gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn. Hij zorgt voor het onverwijld vernietigen of rectificeren van justitiële gegevens als blijkt dat deze, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn.
4. Uit artikel 22, eerste lid, van de Wjsg volgt dat een ieder over wiens persoon justitiële gegevens worden verwerkt de verantwoordelijke schriftelijk kan verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
5. Uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bjsg volgt – voor zover hier van belang – dat voor zover van toepassing als justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 9 worden aangemerkt alle beslissingen die door het OM of de rechter zijn genomen, met uitzondering van de beslissing tot niet vervolgen, omdat de betrokken persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt.
6. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder bij de beslissing op een verzoek op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wjsg louter moet beoordelen of de gegevens in de JD overeenkomen met de justitiële of strafvorderlijke gegevens afkomstig van het OM. Anders gezegd: bij de beoordeling of de gegevens ‘feitelijk onjuist zijn’ moet worden bezien of de beslissing van de rechter of het OM, zoals die destijds genomen is en inmiddels in rechte vaststaat, correct is over- dan wel opgenomen in de JD. Of die beslissing van de autoriteit inhoudelijk een juiste is geweest, staat in het kader van dit geschil niet ter beoordeling.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4610.
https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:RVS:2023:4610