Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:1741
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,649 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4182
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.A. Bouwman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de wijziging van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Met het besluit van 3 mei 2023 heeft verweerder eiseres per 30 augustus 2022 45,84% arbeidsongeschikt geacht.
Met het bestreden besluit van 28 juni 2024 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder eiseres per 30 augustus 2022 47,74% arbeidsongeschikt geacht.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar zoon [naam] , haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiseres was laatstelijk werkzaam als management assistent voor gemiddeld 31,95 uur per week. Haar contract is per 1 augustus 2019 via een vaststellingsovereenkomst beëindigd. Vervolgens heeft eiseres een Werkloosheidswetuitkering ontvangen en zich per1 augustus 2019 ziek gemeld, waarna zij een Ziektewetuitkering kreeg.
2. Vervolgens heeft, op 26 mei 2021, een spreekuur plaatsgevonden, om te beoordelen of eiseres recht heeft op een WIA-uitkering. Op dezelfde dag heeft een arts (de primaire arts) een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De primaire arts heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 30 mei 2021. Verweerder heeft eiseres per14 september 2021 een WIA-uitkering toegekend, op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 39,84%.
3. Op 2 december 2022 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid. Volgens eiseres is sprake van een toename van de klachten per30 augustus 2022. Vervolgens is eiseres op een spreekuur van 17 maart 2023 onderzocht door de primaire arts. Hij heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van19 april 2023 en een FML opgesteld. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit in een rapport van 26 april 2023 vastgesteld op 45,84%. Op basis daarvan heeft verweerder met het besluit van 3 mei 2023 de WIA-uitkering van eiseres gewijzigd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
4. Eiseres is daarna opnieuw medisch en arbeidskundig onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de primaire arts een juiste medische beoordeling heeft verricht. Zij heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 31 mei 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van13 juni 2024 geconcludeerd dat één van de eerder geduide functies niet geschikt is en een andere, passende functies geduid. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de arbeidsongeschiktheid van eiseres gewijzigd vastgesteld op 47,74%.
Overwegingen
Geschil
6. Verweerder mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. De rechtbank gaat hieronder in op de vraag of de opgestelde medische en arbeidskundige rapportages voldoen aan de hierboven genoemde voorwaarden.
Medische grondslag van het bestreden besluit
7. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar klachten. Zij heeft last van vergeetachtigheid, slaapproblemen, stress-gerelateerde klachten, geheugenproblematiek en heeft een ongespecificeerde angststoornis met depressieve klachten en verminderde concentratie. Zo vergeet eiseres bijvoorbeeld wat zij heeft gezegd, het gas uit te doen en haar bril af te doen voordat zij onder de douche stapt. Zij wordt door haar klachten beperkt in dagelijkse handelingen. Eiseres voert aan dat zij als gevolg van haar klachten beperkingen heeft in het cognitief functioneren waardoor het voor haar moeilijk is om nieuwe werkzaamheden aan te leren. Dit wordt volgens eiseres objectief bevestigd door de resultaten van een onderzoek dat het centrum voor transculturele psychotherapie heeft verricht op 23 maart 2021. Er is toen bij haar het cognitieve niveau ‘moeilijk lerend’ vastgesteld. Een en ander moet volgens eiseres vertaald worden in de FML door aanvullende beperkingen aan te nemen op concentreren, herinneren, vasthouden van de aandacht en het aanleren van nieuwe vaardigheden. Daarnaast geven haar klachten volgens eiseres aanleiding om een significante urenbeperking op te nemen in de FML. Eiseres is onvoldoende in staat om te herstellen en heeft moeite met concentreren.
8. In de brief van de psychiater en behandelaar van 23 maart 2021 staat dat eiseres cognitief op ‘moeilijk lerend’ niveau functioneert. Dit is in het rapport van de primaire arts van 30 mei 2021 benoemd. Daarnaast is uitgegaan van de diagnose ongespecificeerde angststoornis met depressieve klachten, slecht slapen en verminderde concentratie. Als gevolg daarvan heeft hij beperkingen aangenomen op persoonlijk en sociaal functioneren. In het rapport van 19 april 2023 heeft de primaire arts aangegeven dat de mentale belemmeringen en geheugenproblematiek ongewijzigd aanwezig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze conclusie onderschreven en aangegeven dat niet is gebleken dat de psychische problematiek wezenlijk is veranderd ten opzichte van de voorgaande verzekeringsgeneeskundige beoordeling.
9. De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle beschikbare medische informatie, waaronder de brief van 23 maart 2021, heeft meegenomen in haar beoordeling. In de beschouwing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep mist de rechtbank echter een bespreking van de medische gevolgen die de classificatie van het cognitief niveau ‘moeilijk lerend’ voor eiseres met zich brengt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet besproken of deze classificatie aanleiding vormt tot het aannemen van aanvullende beperkingen, bijvoorbeeld ten aanzien van de door eiseres ervaren geheugenproblematiek of het aanleren van nieuwe vaardigheden. De vertaalslag van de medische informatie naar beperkingen in de FML is op dit punt onvoldoende inzichtelijk.
10. Naar het oordeel van de rechtbank kan de medische grondslag van het bestreden besluit daarom geen stand houden. Verweerder zal dus een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
11. De rechtbank stelt vast dat in de FML van 19 april 2023 een urenbeperking van maximaal 36 uur per week is opgenomen, bestaande uit vier keer 8 uur en één keer 4 uur per dag. Eiseres voert aan dat dit maximum aantal uren per dag wordt overschreden in de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies. Voor het geval de FML op dit punt bij het nieuw te nemen besluit door verweerder niet wijzigt, overweegt de rechtbank als volgt.
12. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de functies productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC 272043), administratief ondersteunend medewerker (SBC 315100) en medewerker binderij, drukkerij (SBC 268030) de verdiencapaciteit van eiseres berekend. Als reservefuncties heeft hij geduid medewerker postverzorging intern (SBC 315140) en productiemedewerker industrie (SBC 111180).
13. De rechtbank overweegt dat vier van de vijf geduide functies niet voldoen aan de in de FML opgenomen urenbeperking van vier keer 8 uur en één keer 4 uur per dag. Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst van 13 juni 2024 volgt dat de functie productiemedewerker textiel, geen kleding, een arbeidspatroon heeft van maximaal 6,4 uur per dag en 32 uur per week, op maandag tot en met vrijdag. Om dit maximaal aantal uren per week te kunnen behalen zou eiseres vijf dagen 6,4 uur per dag werken. Er wordt in deze functie dus geen rekening gehouden met de beperking in de FML dat eiseres op ten minste één dag maximaal 4 uur per dag kan werken. Ditzelfde geldt voor de functie medewerker binderij, grafisch nabewerker, waar hetzelfde arbeidspatroon geldt. In de functie medewerker postbezorging wordt van eiseres verwacht dat zij in de daarin beschikbare arbeidsplaatsen op maandag tot en met vrijdag maximaal 6 uur per dag, 30 uur per week, dan wel maximaal 5,1 uur per dag, 25,5 uur per week, of maximaal 4,8 uur per dag, 24 uur per week, aan het werk is. Bij al deze arbeidsplaatsen is dus sprake van een overschrijding op de vijfde dag waarop eiseres maximaal 4 uur per dag kan werken. Tot slot is ook sprake van een overschrijding van de FML bij de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten). In twee van de drie beschikbare arbeidsplaatsen binnen deze functie is sprake van een overschrijding, omdat het arbeidspatroon van maandag tot en met vrijdag maximaal 6 uur per dag, 30 uur per week, en maximaal 6 uur per dag, 22 uur per week is.
14. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hier een nadere reactie op heeft gegeven en heeft aangegeven dat de dag waarop eiseres maximaal 4 uur kan werken per30 augustus 2022 niet meer van toepassing was, omdat zij toen niet meer onder behandeling stond. Er kan dus worden uitgegaan van een arbeidsbeschikbaarheid van 40 uur per week. De rechtbank kan deze motivering niet volgen. In de FML is een urenbeperking opgenomen en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dient daar dan ook rekening mee te houden.
15. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit eveneens geen stand kan houden.
60 plus regeling
16. Eiseres is van mening dat aanleiding bestaat om de 60 plus regeling op haar toe te passen, omdat in zekere zin sprake is van een claimbeoordeling, namelijk een claim van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
17. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat eiseres niet aan de voorwaarden voor de Maatregel vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling 60+ (de 60 plus regeling) voldoet, omdat deze alleen geldt voor degene die op of na 1 oktober 2022, maar voor 1 januari 2025, de einde wachttijd voor de Wet WIA bereikt en op die datum ten minste 60 jaar is.
18. De 60 plus regeling betreft een buitenwettelijke maatregel, een uitzondering op de hoofdregel uit het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid de 60 plus regeling niet toegepast op eiseres. Het enkele feit dat sprake is van een herbeoordeling in plaats van een eerste beoordeling is hiertoe al voldoende reden. Daarnaast had eiseres de WIA-wachttijd al volgemaakt op14 september 2021.
Conclusie
19. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint te lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het rapport is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts.
Idem.