Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:1687
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,783 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/178253-22
Datum uitspraak: 11 maart 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende op het adres [adres] ,
hierna: verdachte.
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. H. Hoekstra, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K.H.T. van Gijssel, advocaat te Diemen, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat mr. C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam, namens het slachtoffer en benadeelde partij [aangeefster] (hierna ook: aangeefster) naar voren heeft gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij op 26 september 2021 [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, door haar te zoenen, te bijten en zich door haar te laten aftrekken.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar, consistent en gedetailleerd zijn en steun vinden in de overige bewijsmiddelen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak van verdachte omdat er te weinig bewijs is. Enkel de verklaring van aangeefster is onvoldoende. Tevens voert de raadsman aan dat er geen overtuigend bewijs is, omdat uit de verklaring van aangeefster onvoldoende is gebleken dat de seksuele handelingen ongewenst waren. Enkel de verklaring van de vriendin van aangeefster hierover is onvoldoende. Daarnaast is er bij verdachte geen sprake geweest van opzet op de aanranding.
4.3.
Beoordeling
Bij de beoordeling van het bewijs staat voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat alleen het slachtoffer en de vermeende dader aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het slachtoffer als wettig bewijsmiddel kan dienen. Op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring dient dan ook sprake te zijn van aanvullend bewijs, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. Niet is vereist dat dit aanvullende bewijs betrekking heeft op alle ten laste gelegde gedragingen.
De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster en aanvullend bewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en bruikbaar voor het bewijs. Aangeefster heeft over wat zich in de auto heeft afgespeeld concreet en gedetailleerd verklaard. De verklaringen van aangeefster zijn bovendien op wezenlijke punten consistent – zoals over het gesprek tussen haar en verdachte, de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden, en de druk die verdachte heeft uitgevoerd – en daarbij is zij steeds ook open geweest over haar eigen rol. Bovendien ontbreken noemenswaardige tegenstrijdigheden.
Hier staat tegenover dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd. In eerste instantie heeft verdachte bij zijn politieverhoor verklaard dat hij door aangeefster werd betast en hij daar niet van gediend was. Verdachte ontkende dat er seksuele handelingen hadden plaatsgevonden. Toen hij werd geconfronteerd met de resultaten van het forensisch onderzoek, waaruit blijkt dat er op de jas van aangeefster sperma met zijn DNA is aangetroffen, zei hij eerst dat dit onmogelijk was. Pas later, nadat verdachte bekend was met de inhoud van het dossier, paste hij zijn verklaring aan door te zeggen dat er wel seksuele handelingen tussen hem en aangeefster hebben plaatsgevonden, maar dat aangeefster hiervoor het initiatief heeft genomen. Hij heeft aangeefster hier, naar eigen zeggen, niet toe gedwongen.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster worden ondersteund door getuige [getuige] , de toenmalige vriendin van aangeefster. Zij heeft namelijk verklaard dat zij aangeefster kort nadat zij uit de taxi stapte telefonisch heeft gesproken en dat zij direct merkte dat het foute boel was aan de manier waarop aangeefster sprak. Aangeefster kwam heel erg in de war over en vertelde dat ze “een gast had moeten aftrekken”. Ook verklaarde zij dat aangeefster zich heel goor en vies voelde en zich die avond wel tien keer heeft gedoucht. Op haar jas zaten vlekken van sperma, links in haar nek zat een afdruk.
Dwang
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de verklaring van aangeefster kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van dwang. Verdachte heeft, terwijl aangeefster haar telefoon van de middenconsole pakte, haar hoofd vastgepakt en zijn tong diep in haar mond gestopt. Hierdoor kon aangeefster geen kant op. Vervolgens heeft verdachte de hand van aangeefster gepakt en op zijn penis gelegd. Toen aangeefster haar hand terugtrok heeft hij weer haar hand gepakt en op zijn inmiddels ontblote penis gelegd. Aangeefster heeft zich geprobeerd te verzetten door haar vuist tegen de kaak van verdachte aan te zetten en hem uit te schelden, maar verdachte bleef haar hoofd stevig vasthouden en beet/zoog in haar nek. Verdachte zei dat hij haar “wilde likken op de achterbank” en om dit te voorkomen heeft aangeefster verdachte afgetrokken. Ook heeft zij gezegd dat “dit godverdomme niet ging gebeuren” en veel tegen verdachte gevloekt. Verdachte maakte met zijn eigen hand aftrekbewegingen terwijl hij de hand van aangeefster bleef vasthouden. Pas toen verdachte klaarkwam liet hij aangeefster los. Verdachte heeft met zijn handelen een situatie laten ontstaan waarin aangeefster zich redelijkerwijs niet aan de ontuchtige handelingen heeft kunnen onttrekken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van “dwang” zoals bedoeld in het toenmalige artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Opzet
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande het voor verdachte kenbaar moet zijn geweest dat aangeefster geen seksueel contact met hem wilde. Er was tussen verdachte en aangeefster geen sprake van veiligheid en vrijwilligheid. Dit maakt dat bij verdachte het (in ieder geval voorwaardelijk) opzet aanwezig was op het door aangeefster ondergaan en laten dulden van de seksuele handelingen tegen haar wil.
Conclusie
De rechtbank acht op grond van het hiervoor overwogene en de bewijsmiddelen, vervat in bijlage II, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan aanranding van aangeefster.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 26 september 2021 te Amsterdam, door geweld [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij:
- het hoofd en de hand van die [aangeefster] vastgepakt en vastgehouden; en- die [aangeefster] in haar nek/hals gezoend en gebeten; en- die [aangeefster] een tongzoen gegeven en zichzelf door die [aangeefster] laten aftrekken.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6De strafbaarheid van het feit en van verdachte
Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar en het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, hij is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan de proeftijd moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering, met een dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is zijn werk en verklaring omtrent gedrag verloren en zijn kinderen verblijven vijf dagen per week bij hem.
7.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een nare aanranding. Hij heeft zich in de nacht, tijdens zijn werkzaamheden als taxichauffeur, vergrepen aan een vrouw die bij hem als klant in de taxi zat. Zij zat in de taxi met de gedachte om juist veilig naar haar huis te worden gebracht. Verdachte had echter andere ideeën, en heeft ervoor gekozen in plaats daarvan haar te gebruiken voor zijn seksuele lusten. Hij heeft daarmee haar lichamelijke en geestelijke integriteit op ernstige wijze geschonden. Verdachte heeft zijn eigen seksuele behoeftes voorop gesteld en is compleet voorbij gegaan aan de impact die zijn handelingen op aangeefster zouden hebben. Verdachte heeft ook tijdens de zitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. Hij heeft het verwerpelijke van zijn handelen toen en daar niet ingezien.
Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring en de toelichting op de vordering tot schadevergoeding, blijkt hoe groot de impact van het handelen van verdachte op aangeefster is geweest en tot op de dag van vandaag nog steeds is. Zij heeft hiervoor traumatherapie moeten volgen, en durfde niet bij de behandeling van onderhavige strafzaak tegen verdachte aanwezig te zijn.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 15 januari 2025. Hieruit blijkt dat verdachte geen noemenswaardig strafrechtelijk verleden heeft. Dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, is echter geen omstandigheid waarvan een strafmitigerende werking uitgaat; recidive zou eerder als een strafverhogende omstandigheid hebben gegolden.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies betreffende verdachte van 24 mei 2024. Hierin staat, onder andere, dat het reclasseringsonderzoek vanwege het ontbreken van referenten, de ontkennende houding van verdachte en het eenzijdig en moeizaam verlopen gesprek met verdachte beperkt is gebleven. Hierdoor heeft de reclassering geen zicht gekregen op wat aan het delictgedrag ten grondslag heeft gelegen en wat eventuele risicofactoren zijn. De risicotaxatie voor zedenaars kon door de beperkte informatie slechts deels afgenomen worden. De reclassering beoordeelt het risico op recidive door verdachte als ‘gemiddeld’, evenals het risico op letsel. Het risico op het onttrekken aan voorwaarden door verdachte wordt als ‘hoog’ ingeschat. De reclassering concludeert dat een gedragsinterventie geïndiceerd is, maar omdat verdachte niet open staat voor reclasseringstoezicht en psychologische hulpverlening, zou dit niet uitvoerbaar zijn.
Ter terechtzitting heeft verdachte in weerwil hiervan aangegeven mee te zullen werken aan behandeling indien de rechtbank hem daartoe veroordeelt en geen bezwaar te hebben tegen een contact-of locatieverbod. Ook heeft verdachte verklaard dat hij geen werk heeft en dat zijn kinderen vijf dagen per week bij hem verblijven.
Conclusie
Een feit als het onderhavige rechtvaardigt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zonder tijdsverloop zou de rechtbank dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur hebben opgelegd. Gezien het fors lange tijdsverloop sinds het begaan van het onderhavige feit en de opsporing ervan, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals reeds uiteen zijn gezet, acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf nu niet meer aan de orde. Hierbij heeft te gelden dat de samenleving (en kwetsbare vrouwen in het bijzonder) meer zijn gediend bij het feit dat verdachte in de toekomst geen soortgelijke feiten zal plegen. In plaats daarvan wordt daarom een taakstraf voor de maximale duur van 240 uur opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar die als forse stok achter de deur moet dienen en de ernst van verdachte zijn misdragingen uitdrukt. Aan de proeftijd wordt als bijzondere voorwaarde gekoppeld dat verdachte zich ambulant laat behandelen voor zijn seksueel grensoverschrijdende gedrag. Hiermee wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. In dat kader vindt de rechtbank ook de oplegging van de maatregel van artikel 38v Sr in de vorm van een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod bij haar woning passend en geboden. Gelet op het door de reclassering gestelde gevaar voor herhaling, worden deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Omdat sprake is van een veroordeling voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad, is het zogenoemde taakstrafverbod van toepassing en zal de rechtbank één dag van de gevangenisstraf onvoorwaardelijk opleggen.
8Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.1.
De vordering
De benadeelde partij [aangeefster] vordert € 7.500,- als vergoeding voor haar immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2021.
8.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde vergoeding geheel kan worden toegewezen.
8.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt het gevorderde bedrag te matigen.
8.4.
Beoordeling
Immateriële schadevergoeding
De rechtbank is van oordeel dat verdachte rechtstreeks immateriële schade aan de benadeelde partij heeft toegebracht. Zij heeft daarom op grond van artikel 6:106 eerste lid en onder b van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van deze schade. De benadeelde partij stelt dat zij forse psychische klachten (waaronder paniekaanvallen, slaapproblemen, verminderde concentratie en PTSS) heeft opgelopen waarvoor zij (trauma)behandeling heeft ondergaan. Dit is door haar onderbouwd, en door verdachte niet betwist waardoor de rechtbank hiervan uitgaat.
Op grond van de aard en ernst van de feiten, de impact die het op de benadeelde partij heeft gehad en op dit moment nog steeds heeft, en gelet op bedragen die in andere strafzaken zijn opgelegd, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op 5.000,- (zegge vijfduizend) euro. De vordering wordt dan ook toegewezen tot dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2021 tot aan de dag van volledige betaling. Het overige deel wordt afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling aan haar de
maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w en 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 179 (honderdnegenenzeventig) dagen van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de verdachte zich gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarde voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich ambulant laat behandelen voor zijn seksueel grensoverschrijdende gedrag door ‘De Waag', of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Deze behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de behandelaar in kwestie geeft ten aanzien van de behandeling.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek
van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten
behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat verdachte gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren.
Beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet (naar behoren) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.
Legt op de maatregelen dat veroordeelde voor de duur van twee jaren
geen direct of indirect contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster nieuwe naam] (voorheen [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] );
zich niet zal begeven in het gedeelte van de [straatnaam 1] tussen de [straatnaam 2] en [straatnaam 3] te Amsterdam.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat deze maatregelen ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar zijn.
Dictum
Wijst de vordering gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2021 tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 5.000,- (vijfduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2021 tot aan de dag van algehele voldoening. Bij gebreke van algehele betaling kunnen maximaal 60 (zestig) dagen gijzeling worden toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.B.W. Beekman, voorzitter
mr. A.H.E. van de Pol en mr. N. Versteeg, rechters
in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 maart 2025.
[(...)]