Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-06
ECLI:NL:RBAMS:2025:1679
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,697 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-395933-24
Datum uitspraak: 6 maart 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 9 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 december 2024 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen in België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 februari 2025, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek afgeleverd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen van 11 december 2024, met referentie 2024/038.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
Genoegzaamheid
Het standpunt van de raadsman
Volgens de raadsman bevat het EAB onvoldoende gegevens op basis waarvan het voor hem duidelijk kan zijn waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. In het EAB staat omschreven dat het feit ziet op een hennepplantage, maar niet is vermeld op welke wijze de opgeëiste persoon bij deze plantage betrokken zou zijn geweest. Daarnaast is niet vermeld op welke datum of in welke periode het feit zou zijn gepleegd.
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie staan de gegevens waar de raadsman aan refereert alle in het in het dossier gevoegde A-fomulier vermeld en is de omschrijving van het feit in het EAB daarmee genoegzaam.
Beoordeling
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank stelt vast dat in onderdeel e) van het EAB is omschreven dat tijdens een huiszoeking in Wuustwezel een hennepplantage met 773 cannabisplanten en een plantage in opbouw is aangetroffen. In het bij het EAB gevoegde A-formulier staat vermeld dat de opgeëiste persoon als ‘dader’ wordt aangemerkt en dat het feit in de periode van 1 december 2023 tot
13 maart 2024 zou zijn gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met de vermelding van deze gegevens aan de hierboven weergegeven voorwaarden voldaan. De vermelding van het feit in het EAB is genoegzaam en het verweer van de raadsman wordt verworpen.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Procureur des Konings bij het Parket van de procureur des Konings, Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft op 28 januari 2025 de volgende garantie gegeven:
“Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Dit algemeen gevaar bestaat op dit moment nog steeds.
De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 29 januari 2025, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, te Brussel de volgende detentiegarantie is gegeven:
“
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte.
Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft gerefereerd aan de rapporten van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment waaruit blijkt dat de situatie in Belgische detentie-instellingen zorgelijk is. In dit licht is de voornoemde detentiegarantie te algemeen omschreven en onvoldoende om het door de rechtbank vastgestelde algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten in het individuele geval van de opgeëiste persoon weg te nemen.
Beoordeling
Zoals deze rechtbank eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2025) gaat de rechtbank aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling, nu het gevaar op een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
7De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW
Het standpunt van de raadsman
Volgens de raadsman dient de overlevering van de opgeëiste persoon op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW te worden geweigerd, nu het mogelijk is dat tegen de opgeëiste persoon voor het in het EAB omschreven feit in Nederland strafvervolging gaande is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman een proces-verbaal van de Nederlandse politie aan de rechtbank overgelegd, waaruit zou blijken dat de opgeëiste persoon ter zake van het in het EAB vermelde feit door de Nederlandse politie is verhoord in het kader van een onderzoek genaamd ‘13scheermes’.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is niet bekend met het gegeven dat tegen de opgeëiste persoon voor het in het EAB omschreven feit in Nederland strafvervolging gaande is. Uit het door de raadsman overgelegde proces-verbaal blijkt bovendien dat het verhoor van de opgeëiste persoon in Nederland op verzoek van de Belgische autoriteiten heeft plaatsgevonden.
Beoordeling
Met de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat in de aanhef van het door de raadsman overgelegde verhoor staat omschreven dat de Nederlandse politie de opgeëiste persoon heeft verhoord op verzoek van de Belgische autoriteiten. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate dat dit verhoor in het kader van het aan het EAB ten grondslag liggende Belgische strafrechtelijke onderzoek heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken van een Nederlandse strafvervolging.
De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW doet zich niet voor en het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen in België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 maart 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:NL:RBAMS:2022:7536
Rb. Amsterdam 29 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:553
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.